%ATTAC-RUG%

 

 

 

DE BOLOGNA-VERKLARING

(EN DE GATS)

-----

EUROPESE HOGER ONDERWIJSRUIMTE

OF

EUROPESE HOGER ONDERWIJSMARKT ?

 

 

De Sorbonne-verklaring

Tijdens de viering van 750 jaar Sorbonne werd de Sorbonne-verklaring (25 mei 1998) opgesteld. Het initiatief daartoe ging uit van de onderwijsministers van Frankrijk, Engeland, Italië en Duitsland. De verklaring werd ingegeven door de bezorgdheid met betrekking tot de concurrentiepositie van het Europees Hoger Onderwijs in vergelijking met die van de de VS, Zuid-Oost Azië en Oceanië en met betrekking tot de toenemende problemen in het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek in de ondertekenende landen. Later schaarden een aantal andere landen, waaronder ook België, zich achter de principes uitgetekend in de Sorbonne-verklaring.

De bredere context: de vorming van een globale onderwijsmarkt

De geuitte bezorgdheid over de concurrentiepositie van het Europese Hoger Onderwijs moet gezien worden binnen een bredere, wereldwijde trend. Het Europese onderwijs hinkt wat betreft internationale competitiviteit achterop. Het aantal studenten dat vanuit de rest van de wereld naar Europa komt studeren daalt ten opzichte van het aantal studenten dat naar andere wereldregio’s trekt. Dit heeft te maken met de vermarkting of commodificatie van het onderwijs. In Australië en de VS is onderwijs verschaft aan buitenlandse studenten een belangrijk exportprodukt geworden. Wanneer een college een buitenlandse student inschrijft wordt dit meegerekend in de exportcijfers van het land dat deze dienst (onderwijs) levert. Europa is niet zo prominent aanwezig op deze globale onderwijsmarkt. Het Verenigd Koninkrijk is de enige uitzondering hierop.

In 1997 was de export van tertiair onderwijs in Amerika, inclusief intensieve Engelse taallessen, goed voor 390 miljoen dollar (waarbij Engelse taalcursussen 144 miljoen dollar voor hun rekening nemen). De cijfers voor 1998 liggen 8% lager, voornamelijk door de economische crisis in Azië. In Australië is de export van onderwijs reeds de vijfde grootste exportindustrie. De Australische regering maakt in de komende drie jaar 24 miljoen dollar vrij om het Australische kwaliteitsonderwijs te promoten.

Ook de Engelse premier Tony Blair neemt het initiatief om het aantal internationale studenten in het Verenigd Koninkrijk te verhogen. Tegen 2005 wil Engeland 25% van de internationale markt voor het hoger onderwijs in handen hebben (tegenover 17% nu). Naast de geldstroom (direct en indirect via bijvoorbeeld toerisme) die dit zal opleveren zal het het aantal beslissingsmakers en opinieleiders met Engelse banden significant doen toenemen. Frankrijk laat zich ook niet onbetuigd. Om het Franse onderwijs te promoten heeft de Franse regering EduFrance opgericht. Daarmee hoopt ze zich een plaatsje te veroveren op de internationale onderwijsmarkt waarvan ze de omzet schat op ongeveer 21,9 biljoen dollar per jaar en die totnogtoe gedomineerd werd door Engelstalige landen.

De voorgaande cijfers indachtig zal het dan ook niemand verbazen dat de liberalisering van het onderwijs op de agenda staat van allerlei internationale economische fora. Zo staat onderwijs bovenaan de agenda van de FTAA-onderhandelingen (Free Trade Area of the Americas) die plaatsvinden eind april 2000 en die als doelstelling hebben een immense vrijhandelszone te creëren die zich over het hele Amerikaanse continent, met uitzondering van Cuba, uitstrekt. Arthur Sandborn, een Canadese vakbondsleider, waarschuwde er recentelijk voor dat "privatizing education, turning it into a business, was chosen as the number one priority for these negotiations".

De GATS

Dichter bij ons bed blijft ook de Europese Unie aansturen op een verdere liberalisering van de dienstensector in het kader van de GATS-onderhandelingen (General Agreements on Trade in Services). De dienstensector wordt erg breed opgevat en omvat onder andere het onderwijs. De onderhandelingen over de liberalisering van de dienstensector zijn ondanks de mislukking van de WTO-top in Seattle reeds gestart. Na het debacle in Seattle schreef Robert Madelin, een topambtenaar van de Europese Gemeenchap, aan de European Services Forum (ESF), een organisatie opgericht door de Europese Commissie in 1998 en bestaande uit meer dan 80 transnationale bedrijven actief in de dienstensector, dat "The EC would like to encourage all European services industries to continue co-operating actively with us to develop the solid and detailed common negotiating position that we wish to present in Geneva at the appropiate time next year". Over de positie van de ESF kan getuige de titel van één van hun conferenties in Brussel geen twijfel bestaan: ‘The GATS 2000 Negotiations - New opportunities of trade liberalisation for all services sectors’ (onze cursivering). De gepriviligeerde relatie tussen de ESF en de Europese Commissie wordt nog duidelijker uit volgend citaat dat te vinden op de website van de Europese Commissie: "la participation active des industries de services dans les négociations est cruciale pour nous permettre d’aligner nos objectifs de négociation sur les priorités des entreprises. L’AGCS (= GATS, SO) n’est pas seulement un accord entre gouvernements. C’est avant tout un instrument au bénéfice des milieux d’affaires."

Bovenstaande citaten indachtig hoeven we ons dan ook niet veel illusies te koesteren over de positie van de Europese Commissie. Michel Servoz, een belangrijke onderhandelaars voor de Europese Commissie betreffende de liberalisering van de dienstensector, is in ieder geval duidelijk: zowel gezondheid, milieu als onderwijs zijn rijp voor liberalisatie. De Europese Commissie is dan ook een voortrekker van een verregaande liberalisering van de onderwijssector in het kader van de GATS-onderhandelingen (zowel primair als secundair als hoger als volwassenenonderwijs). Deze liberalisering steunt op twee principes. Ten eerste is er de ‘national treatment’-regel. Volgens deze regel mogen nationale regeringen lokale bedrijven niet anders behandelen dan buitenlandse bedrijven. Deze regel houdt echter nog veel meer in. Zo mogen overheden van bedrijven niet meer eisen dat ze lokale werknemers aannemen. Deze regel betekent met andere woorden dat de overheid niet meer de middelen zal hebben om ervoor te zorgen dat investeringen door buitenlandse bedrijven zijn burgers ten goede komt. Het is onder deze regel ook niet ondenkbeeldig dat private onderwijsinstellingen de overheid laat veroordelen omdat ze subsidies geeft aan publieke onderwijsinstellingen. Onder de GATS kan dit immers gezien worden als concurrentievervalsing. Ten tweede is er de market acces’-regel. Deze houdt in dat de overheid geen enkele bedrijf uit de dienstensector kan weren van zijn markt, wat de achterliggende motivatie daartoe ook is. Zo kan een overheid bijvoorbeeld een racistische onderwijsinstelling niet uit zijn markt verbannen.

Het is duidelijk dat de GATS een ernstige en doelbewuste aanval is op onze democratische en sociale verworvenheden. Een nota van de Wereldhandelsorganisatie (WHO) stelt het heel duidelijk: één van de belangrijkste doelstellingen van de liberalisering is het drukken van de lonen (sic !). Ondanks de huidige retoriek over ethisch ondernemen denkt de huidige transnationale economische elite anno 2000 dus nog altijd in termen van winstaccumulatie door middel van een zo ver mogelijk doorgedreven exploitatie van de werknemer. Omdat de economische elite en hun politieke handlangers ook wel inzien dat dit aan het begin van de 21ste eeuw niet zomaar meer door de bevolking getoleerd zal worden hebben ze daar rekening mee gehouden bij het opstellen van de GATS. Deze zijn zo opgesteld dat een op winst beluste bedrijfsleider bij een liberale lezing ervan altijd wel iets vindt om een via democratische wegen tot stand gekomen overheidsreglement te laten vernietigen.

De Bologna-verklaring

Een jaar na de Sorbonne-verklaring, op 19 juni 1999, volgde de zogenaamde Bologna-verklaring. Deze gemeenschappelijke verklaring van de Europese ministers van Onderwijs is een continuering en verfijning van de ideeën vervat in de Sorbonne-verklaring. De Bologna-verklaring werd ondertekend door negenentwintig landen. Deze landen engageren zich hiermee om -tegen uiterlijk 2010- hun hoger onderwijs te reorganiseren volgens de principes opgetekend in de Bologna-verklaring. Voor er ingegaan wordt op de mogelijke implicaties en consequenties van de Bologna-verklaring voor ons huidige onderwijssysteem en de vraag of het gerechtvaardigd is de Bologna-verklaring te zien als een regelrechte neoliberale aanval op het Europese Hoger Onderwijs overlopen we wat er nu precies in die Bologna-verklaring staat.

Het kernbegrip in de Bologna-verklaring is de creatie van een Europese hoger onderwijs ruimte. Dat is nodig om de mobiliteit en de tewerkstelbaarheid van de Europese burgers te verhogen en de ontwikkeling van het Europese continent te stimuleren. Er moet daarbij in het bijzonder aandacht besteed worden aan de doelstelling de internationale competitiviteit van het Europese Hoger Onderwijssysteem te verhogen. Om deze doelstellingen te realiseren moeten de volgende vijf doelstellingen nagestreefd worden.

  1. Men moet in Europa komen tot een systeem van vergelijkbare, compatibele en leesbare graden (‘comparable, compatible en readable degrees’). Men spreekt hier niet zozeer van harmonisatie maar gewoon van wederzijdse erkenning (iets dat in één land van EU legaal aanvaard is moet door een ander land ook als legaal aanvaard worden in plaats van het op elkaar afstemmen van de verschillende nationale wetgevingen).
  2. Men moet in Europa komen tot een gelijkaardig raamwerk voor diploma’s. Daarmee doelt men op de structuur van de opleiding. Het voorstel is een drietrapspakket. Dit wordt in de discussie heel snel vertaald naar de Angelsaksiche structuur Bachelor/BA – Master/MA – PhD /doctoraat. In de ons omringende landen lijkt iedereen voor een BA van drie jaar te kiezen. Gevolg daarvan is dat het moeilijk is om in België te kiezen voor een BA van vier jaar want of je nu drie of vier jaar doet, in termen van diploma wordt geen onderscheid gemaakt (je krijgt gewoon een BA-diploma). Elk diploma (BA, MA, PhD) moet op zichzelf relevant zijn naar de arbeidsmarkt (niet zoals het kandidatuursdiploma nu dat bijna geen waarde heeft op de arbeidsmarkt). Een MA zou bij voorkeur twee jaar duren. Een dergelijke hervorming van de universitaire opleidingen dreigt echter een aantal problemen met zich mee te brengen.
  3. Ten eerste vragen nogal wat docenten zich af hoe ze in drie jaar een opleiding kunnen geven die beantwoord aan hun onderwijsfilosofie, namelijk een brede, disciplineoverschrijdende, kritische vorming. Deze opmerking hangt samen met een kritiek op de enge, beroepsgerichte opvatting van een opleiding die in de Bologna-verklaring gehanteerd wordt. Niemand betwist dat in een opleiding beroepsgerichte vaardigheden aan bod moeten komen. Dit betekent echter nog niet dat andere finaliteiten van een opleiding verwaarloosd moeten worden. De eeuwige vraag van het bedrijfsleven studenten vlugger op de arbeidsmarkt af te leveren en meer aandacht te besteden aan beroepsgerichte vaardigheden lijkt dit echter wel te suggereren.

    Een tweede probleem heeft te maken met de democratische toegankelijkheid van het hoger onderwijs. De voorgestelde hervormingen van de structuur van het hoger onderwijs ivragen uiteraard nogal investeringen. De Vlaamse overheid zal wellicht niet bereid zijn het onderwijsbudget te verhogen. Sommigen suggereren dan ook dat de kosten voor de masteropleidingen doorgerekend moeten worden aan de studenten. De argumenten die gebruikt worden om deze visie ondersteunen getuigen van een wereldvreemde economische dogmatiek. Studenten die een mastersdiploma behalen zouden een betere positie op de arbeidersmarkt en naderhand een hoger inkomen hebben. Dit gegeven zou hogere inschrijvingsgelden verrechtvaardigen. Op dergelijke redeneringen kan vanzelfsprekend nogal wat kritiek gegeven worden. Zo is het maar de vraag of alle personen met een mastersdiploma een hoger inkomen zullen verwerven. Bovendien zullen heel wat minder gefortuneerde studenten er begrijpelijkerwijze voor terugschrikken zichzelf op twintigjarige leeftijd met een lening op te zadelen. De kans dat een dergelijke optie een financiële drempel voor het volgen van een masteropleiding zal gaan vormen is dan ook niet denkbeeldig. Daarnaast lijkt het ons democratischer te zijn personen met een hoger inkomen te responsabiliseren via een progressief belastingsstelsel.

    Andere opties zoals sponsoring door het bedrijfsleven houden minstens een even groot gevaar in voor de democratisering van het onderwijs. Een dergelijk scenario dreigt te leiden tot een situatie waarin deze opleidingen waarvan de relevantie voor de privésector groot is veel meer middelen hebben dan opleidingen met minder relevantie voor de private sector. De bedrijven zullen in ruil voor hun sponsoring zeker ook wel enkele wederdiensten vragen. En het behoeft geen groot betoog dat hun wensen wel eens lijnrecht tegenover de huidige basisprincipes van het hoger onderwijs zouden kunnen staan (algemene opleiding, vorming van kritisch denken, democratische toegang, …).

    Een ander discussiepunt dat betrekking heeft op de structuur van het hoger onderwijs is de binaire/tertiaire structuur van het Vlaamse onderwijs. De Bologna-verklaring lijkt het onderscheid tussen opleidingen aan een hogeschool en opleidingen aan een universiteit te willen opheffen. Via een creditsysteem wordt het switchen tussen dergelijke instellingen in principe mogelijk en door de externe accreditering geldt niet langer het label ‘universiteit’ of ‘hogeschool’ als waardecriterium maar de kwaliteit zoals die beoordeeld wordt door de het accrediteringsorgaan. Het Belgisch kabinet van onderwijs is echter tegen de opheffing van het onderscheid . De finaliteiten van een hogeschool zijn volgens het kabinet anders dan die van een universiteit en dit moet zo blijven (beroepsgericht versus academisch). Dit onderscheid kan aangevallen worden. Sommige universitaire opleidingen zijn immers ook beroepsgericht. Het standpunt van de VLIR (Vlaamse Interuniversitaire Raad) is dat het hoger onderwijs een BA-diploma mag afleveren maar enkel als de opleiding kwalitatief hoogstaand is en geaccrediteerd wordt (dus geen automatische gelijkschakeling). Ook wensen zij een onderscheid te behouden tussen een academische en een professionele BA. Wat ons inziens neerkomt op een cosmetische operatie.

  4. Men moet in Europa een creditsysteem ontwikkelen om de mobiliteit van de studenten te promoten. In een creditsysteem krijg je voor elk onderwijsonderdeel dat succesvol afgerond wordt credits toegekend die ook door andere onderwijsinstellingen erkend moeten worden. Zo’n creditsysteem moet de structuur van het hoger onderwijs ook aanpassen aan verschillende leertrajecten (bv. mensen die na periode op arbeidsmarkt opnieuw naar school gaan).
  5. Men moet de studentenmobiliteit in Europa stimuleren door de obstakels voor deze mobiliteit weg te werken. Het is niet duidelijk welke obstakels hier bedoeld worden. Deze obtakels kunnen van immers zowel van linguïstische als van financiële aard zijn. Meer duidelijkheid is hier dus vereist.
  6. Men moet in Europa meer gaan samenwerken op het vlak van kwaliteitszorg om tot vergelijkbare criteria en methoden te komen. Men denkt hierbij aan het ontwikkelen van een systeem van externe accreditering. Nu hebben we een ex-post systeem van kwaliteitszorg. Het onderwijs wordt beoordeeld nadat het geleverd is. Accreditering betekent dat een externe organisatie de opleiding doorlicht en ex ante de opleiding doorlicht (diploma’s als geldig erkent, …).
  7. Men moet de Europese dimensie in het hoger onderwijs meer gaan uitwerken, in het bijzonder met betrekking tot de ontwikkeling van de curricula, mobiliteitsprogramma’s, samenwerking tussen instellingen, … .

De ondertekenende landen verbinden zich ertoe deze doelstellingen na te streven om de Europese Hoger Onderwijsruimte te creëren. In de verklaring wordt daarbij expliciet vermeld dat ieder land en iedere instelling dit naar eigen competentie moet doen en dat de verscheidenheid van culturen, talen, nationale onderwijssystemen en de autonomie van de universiteiten ten volste gerespecteerd dient te worden.

STANDPUNT ATTAC-RUG

Zoals zowel voorstanders en critici van de Bologna-verklaring stellen houdt deze verklaring een aantal uitdagingen in en wordt er eindelijk werk gemaakt van een aantal oude problemen zoals het gebrek aan transparantie. Bovendien is de opmerking van professor Van Damme als zou de Bologna-verklaring ook beschouwd mogen worden als een poging om een plotse, complete internationale vrijhandel in onderwijs te vermijden of te snel af te zijn niet onbelangrijk. Op de WHO-top in Seattle stelden de Amerikanen immers ook de vrijmaking van de onderwijsdiensten voor. Mocht deze top niet mislukt zijn dan zouden de Amerikanen hun slag waarschijnlijk thuisgehaald hebben en was de volledige liberalisering van het hoger onderwijs in Europa misschien al een feit. Er zijn volgens Van Damme reeds aanduidingen dat verschillende multinationale bedrijven en commerciële onderwijsinstellingen zitten te wachten tot de Europese markt zich voor hen opent. In afwachting van deze opening houden ze zich bezig met lobbyen in Brussel en het intensief verkennen van de markt. Van Damme ziet in de Bologna-verklaring dan ook een kans om de internationalisering van het onderwijs zelf vorm te geven en ons niet over te leveren aan een volledig vrijgemaakte globale onderwijsmarkt.

Wij, van Attac-UG, beschouwen een brede, democratische toegang tot het onderwijs en een algemene, disciplineoverschrijdende, kritische vorming als een absolute prioriteit en onvervreemdbaar recht van elk individu. In de Bologna-verklaring worden deze aspecten van het Europese Hoger Onderwijsbeleid niet vermeld. Wat wel vermeld wordt is het bijzonder belang van de internationale competitiviteit van het Europese Hoger Onderwijs en de relevantie van een opleiding voor de arbeidsmarkt. In verschillende commentaren op de Bologna-verklaring blijkt nog meer dat vooral deze laatste bekommernissen centraal lijken te staan. Prof. Dirk Vandamme gaat zelfs zover te stellen dat we bereid moeten zijn verschillen in ontwikkeling en kwaliteit tussen instellingen te aanvaarden. De politieke bezorgdheid van de laatste decennia om deze verschillen omwille van democratische overwegingen zoveel mogelijk te vermijden noemt hij disfunctioneel en onzinnig (sic !). Wij kunnen uiteraard niet akkoord gaan met deze uitspraak. Wij vrezen immers dat er op die manier een trend in de richting van het Amerikaanse systeem gezet wordt. En een systeem met een klein aantal topuniversiteiten, vanzelfsprekend met torenhoge inschrijvingsgelden, is niet verzoenbaar met onze visie op het onderwijs als het belangrijkste overheidsinstrument ter emancipatie van de hele bevolking, ongeacht hun financiële situatie. Prof. Haug, één van de drijvende krachten achter de Bologna-verklaring, stelde dat de vrees voor een Amerikaans onderwijslandschap ongegrond is. Er is immers zoveel vraag naar hooggeschoolde arbeidskrachten dat universiteiten zoveel mogelijk studenten zullen willen aantrekken en hun inschrijvingsgelden bijgevolg zo laag mogelijk zullen houden. Dat sommige universiteiten, geheel conform met de marktlogica, er wel eens brood in zouden kunnen zien zich enkel op elite-onderwijs toe te leggen komt bij deze man blijkbaar niet op.

De Bologna-verklaring is naar onze mening dan ook veel te eenzijdig gericht op economische belangen. Dat sluit natuurlijk volledig aan op de huidige dominantie van het neoliberale ideëengoed. Deze verklaring mag dan al bedoeld zijn als een antwoord op een volledige liberalisering van de onderwijssector, wat ons betreft is het antwoord allerminst afdoende. Wij verwerpen dan ook deze poging ultra-liberalisme af te stoppen met een mildere en mooier ingepakte versie ervan. Meer specifiek eisen wij dat de brede en democratische toegang tot het hoger onderwijs als absolute prioriteit beschouwd wordt en er diepgaander en vooral concreter nagedacht wordt over de veranderende relatie tussen dit gegeven en de concurrentiekracht van ons onderwijs in een zich globaliserende wereld. Bovendien eisen wij dat andere finaliteiten dan de arbeidsmarkt in de discussie èn de conclusies opgenomen worden. Wij denken daarbij vooral aan de kritische en persoonlijke vorming van een opleiding. Tot slot hebben wij ook bedenkingen bij de manier waarop men een grotere transparantie van diploma’s en onderwijsstructuren wil bereiken. Wij juichen de intentie om meer transparantie te bekomen uiteraard ten zeerste toe. Als opleidingen transparanter worden neemt echter ook de verleiding om ze te vergelijken toe. Op die manier kan er een soort informele ranking ontstaan. Naar onze mening moet men dan ook voldoende veiligheidsremmen inbouwen opdat deze evolutie verhinderd zou worden.

Wat staat ons te doen?

In mei 2001 komen de Europese ministers van Onderwijs, samen met vertegenwoordigers van de onderwijsinstellingen en -verenigingen, in Praag bijeen om te kijken hoe ver ze staan met de implementatie van de Bologna-verklaring en om te discuteren over verdere stappen in de richting van ‘the Europe of knowledge’. Het is van essentieel belang dat we niet aan de zijlijn blijvens staan toekijken. We moeten de onderhandelaars duidelijk maken dat de civiele samenleving de discussies en beslissingen met argusogen zal volgen en dat we onze sociale en democratische verworvenheden niet zullen prijsgeven. Daarnaast moeten we eisen dat concrete voorstellen ontwikkeld worden om de democratisering van het onderwijs verder te bewerkstelligen. Wanneer men daar niet toe bereid is moeten er kordate en compromisloze acties volgen om de betrokkenen duidelijk te maken dat dergelijke belangrijke hervormingen niet ongestraft kunnen plaatsvinden zonder rekening te houden met de eisen van de studenten en de ruimere civiele samenleving.

Wat de GATS betreft moeten de studentenbeweging en de academische wereld zich zo vlug mogelijk inschakelen in de wereldwijde anti-GATScampagne die zo langzamerhand op gang lijkt te komen. In februari 2000 startten de GATS 2000-onderhandelingen in Genève. Vanaf dan af poogden de onderhandelaars in Genève zo veel mogelijk sectoren in de onderhandelingen te betrekken. Het komt erop aan deze onderhandelingen zoveel mogelijk onder de aandacht van de bevolking te brengen en ook in België een campagne op te starten om de legitimiteit van de GATS en de WHO verder te ondergraven met als ultieme doelstelling het stopzetten van een systeem van handelsliberalisering dat enkel ten dienste staat van het transnationale bedrijfsleven. Handelsliberalisering is enkel legitiem en verantwoord als dit ten goede komt aan de armen op deze planeet, bijdraagt tot meer ontwikkeling voor allen en onze democratie niet ondergraaft.

 

 

Meer info over ATTAC ?

ATTAC-RUG :

schrijf je in op onze mailing-list:

<www.egroups.com/group/ATTAC-RUGINFO>

of mail je vragen door naar:

<ATTAC-RUG@egroups.com>

ATTAC-VLAANDEREN:

Attac-Vlaanderen

Galgenberg 29

9000 Gent

e-mail: goeman.eric@village.uunet.be

ATTAC-INTERNATIONAAL: http://www.attac.org/

 

Lid worden van ATTAC-VLAANDEREN ?

Het lidgeld bedraagt 500 Bef per jaar. Werklozen betalen 250 Bef. Steunende leden 1000 Bef. Organisaties betalen 3000 Bef. Lidgeld storten op rekeningnummer 123-6163848-19 van Attac-Vlaanderen.