| << Terug naar overzicht teksten |
Populisme als spreekregime |
In dit artikel legt Prof. Jan Blommaert de relatie tussen populisme, de afkeer van 'moeilijke woorden' en onze hoog-gemediatiseerde samenleving. Populisme articuleert zich bijzonder krachtig precies doorheen het opleggen van een bepaald spreekregime en het uitsluiten of diskwalificeren van andere regimes. Concreet ziet Blommaert de afkeer van 'moeilijke woorden' als een politiek-ideologische ingreep. Bovendien kan men in een samenleving als de onze geen enkel ideologisch fenomeen bestuderen zonder daarbij rekening te houden met de krachtige instrumenten waardoor die ideologieën worden verspreid: de massamedia. Blommaert komt tot de conclusie dat het soort populisme zoals het vandaag wordt gepredikt als spreekregime een uiterst elitaire zaak is. Zij die beweren te spreken zoals 'de gewone man' behoren tot de smalst denkbare top inzake communicatiemogelijkheden.
Wie zijn nu 'de mensen' waarvan populisten als Pim Fortuyn, Steve Stevaert en Philip Dewinter claimen de spreekbuis te zijn? Opiniemakers als Yves Desmet (1) en Filip Rogiers beschouwen dit soort politici als mensen die 'de realiteit' bloot leggen en 'bespreekbaar maken', precies door de autoriteit van intellectuelen - die bovendien zouden neerkijken op 'de gewone man' of 'de mensen' - over die realiteit te doorbreken. Ze verwoorden de realiteit zoals die 'ervaren' wordt door 'de gewone man', van wie de intellectuelen duidelijk vervreemd zijn. Daar komt nog bij dat die intellectuelen een door theorie geïnfiltreerde taal gebruiken die de realiteit verhult en 'onbespreekbaar maakt'. Daardoor kennen intellectuelen de realiteit niet en geeft hun taal dan ook een vals, verdraaid beeld van die realiteit. Politici als Fortuyn en Stevaert kennen die realiteit wel, net als de journalisten, en zijn derhalve geen 'populisten' maar figuren die 'kunnen omgaan met mensen', 'bezig zijn met hedendaagse problemen', of 'de beste feeling hebben voor de publieke opinie' (Willy Claes over Stevaert). Er wordt hier een relatie gelegd tussen een bepaalde manier van spreken, een niveau van realiteitszin en kennis van de leefwereld van 'de mensen', en waarheid of ernst. Bovendien wordt dit alles aangevuld met aanspraken op democratische kwaliteit. Vanzelfsprekend is dit dus geen populisme, maar de kern van de democratie zelf. Op de vraag 'zijn sommige dingen te ingewikkeld om uit te leggen?' antwoordt Stevaert in een Knack-artikel het volgende: 'Nee. Behalve dingen die ik niet begrijp, daar begin ik niet aan. Als ze beginnen met een ingewikkelde uitleg, kennen ze het meestal niet. Of ze willen niet tot de grond van de zaak komen.(2) Dus: wie ingewikkeld spreekt drukt hetzij onkennis uit of is gewoon niet oprecht, die wil niet tot de essentie komen.
De categorie van 'de gewone man' of 'de mensen' is in feite een bont allegaartje, tien miljoen man sterk, van zeer uiteenlopende sociale groepen. Niets zit zo ingewikkeld ineen als 'de mensen'. Niettegenstaande die vanzelfsprekendheid van diversiteit zien we hoe politici als Stevaert met het grootste gemak spreken over 'de mensen'. Maar waar hebben we het nu over? Blommaert maakt een lijstje van eigenschappen die overeenstemmen met de referent van 'de gewone man' wanneer hij gebruikt wordt in dit soort vertogen. Ten eerste is de gewone man een man (er wordt doorgaans in de 'hij'-vorm naar verwezen). Ten tweede is hij laaggeschoold. We merken dit door de uitsluiting van 'intellectuelen' van de categorie 'gewone man'. Nogal merkwaardig in een land met zowat de hoogste scholingsgraad ter wereld. Ten derde is de gewone man autochtoon. Allochtonen worden er haast nooit toe gerekend, ook al gaat het om een categorie die sociologisch best als 'gewone man' kan omschreven worden. Kansarmoede, lage scholingsniveaus en werkloosheid zijn er immers statistisch veel hoger dan bij autochtonen. Ook wordt er een heel complex aan andere neveneigenschappen aan verbonden (o.a. brave burger, noest werkend, trouw belastingen betalend, berekend, eerlijk, met een groot rechtvaardigheidsgevoel, recht-door-zee, kijkt niet naar Canvas, leest Le Monde niet, drinkt pinten in volkse cafés, kijkt naar Big Brother en leest Het Laatste Nieuws, TV Story en Dag Allemaal, vindt politici maar zakkenvullers, leeft in 'gewone' of 'volksbuurten' en heeft geen Euro op overschot). Zelden was er een groter cliché. Dit is patchwork dat volledig berust op stereotypen, maar hierin legt men de ziel van het Vlaamse volk. Bovendien is deze categorie zo'n cliché dat ze in alle richtingen uitgerokken of ingekrompen kan worden. Het is een retorisch instrument dat een aantal doelen dient, en één ervan is het scheppen van een contrast met beter identificeerbare klassen zoals de hoogopgeleide goedverdienende witte-boord, de intellectueel. De categorie 'gewone man' wordt tenslotte ook gehanteerd om democratische politici te onderscheiden van anderen. Wie zich laat leiden door de verzuchtingen van andere groepen van 'mensen' - intellectuelen bvb., maar dit kan door de rekbaarheid van de categorie 'gewone man' ook de allochtoon zijn, de vrouw, de zelfstandige, de langdurig werkloze - is betweterig en lijdt aan 'de arrogantie van de macht'. Socialisten onder Stevaert kunnen niet aan deze ziekte lijden, want socialisme is door Stevaert gedefinieerd als 'wat goed is voor de mensen'. Het is een interessant fenomeen, want zowel de CD&V ('mensen en waarden') als de VLD ('de partij van de Burger') doen beroep op precies hetzelfde beeld om het democratische gehalte van hun partij te beklemtonen. Hetzelfde geldt vanzelfsprekend voor het Vlaams Blok ('de stem van het volk'). Dit is duidelijk beeldvorming. Tegenover dat uniforme publiek staan dan specifieke sociale groepen die precies door de vaagheid van de categorie 'de mensen' telkens weer ad hoc kunnen geïdentificeerd worden als 'anders'. Daardoor zijn ze een minderheid ('de mensen' zijn altijd de meerderheid), en derhalve een categorie waarmee men democratisch gezien geen rekening hoeft te houden.
Volgens Blommaert zijn er geen geen moeilijke woorden, er zijn alleen moeilijk beschrijfbare fenomenen.
Ten eerste heeft terminologische complexiteit niets te maken met 'moeilijkheid' in begrijpbaarheid. Er zijn heel wat complexe termen - moeilijke woorden - die wijd verspreid zijn (bvb. 'broeikasgassen', 'koolstofdioxide', 'verarmd uranium', 'deregulering van de telecommunicatiemarkt'). Daar tegenover staat de schijnbare duidelijkheid van allerhande uitspraken. Deze klinken niet 'moeilijk', maar ze dekken een hopeloos ingewikkeld fenomeen dat bijzonder slecht begrepen wordt, en waar de schijnbare duidelijkheid van de termen precies verhullend gaat werken (bvb. 'Raadkamer', 'Kamer van Inbeschuldigingstelling', 'de magistratuur', 'wetsvoorstel', 'kernkabinet', 'resolutie', 'Europese richtlijn', 'BTW-caroussel', 'krijgsheren', 'terroristen'). Men vindt dit allicht geen moeilijke woorden, maar precies de bedrieglijke eenvoud van de woorden verhult de slecht gekende en onbegrepen realiteit die er achter schuil gaat. Eenvoudige woorden gebruiken staat dus niet gelijk aan kennis overbrengen en moeilijke woorden gebruiken staat evenmin gelijk aan onbegrijpelijke dingen zeggen. Meer nog, men moet zich de vraag stellen of de weigering om 'moeilijke' woorden te gebruiken daar waar ze verhelderend zouden kunnen werken geen weigering is om te informeren.
Ten tweede valt het op hoe selectief men is in het weren van 'moeilijke woorden' uit de media en politiek (bvb. 'moleculair bioloog', 'DNA-analyses', 'menselijke genetica', ook de taal van o.a. economen en juristen). Hier heerst wat men noemt een iconiciteitsverwachting: dat de wijze waarop men spreekt overeenstemt met eigenschappen van het onderwerp waarover men spreekt.
De afkeer van moeilijke woorden is dus een specifieke afkeer, en dit heeft te maken met macht en autoriteit. De afkeer geldt met name voor iedereen die uitspraken doet over de samenleving in het algemeen, en politiek en democratie in het bijzonder. Als het hierop aankomt staan politieke en sociale wetenschappers dan ook in de vuurlijn. De taal van de intellectueel is fout, verhullend, oneerlijk, onrealistisch. Immers, die taal is niet concreet, niet anekdotisch, niet doorleefd maar rationeel, algemeen, onthecht en abstract. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de taal van economen, juristen en moleculair biologen. Maar zij hebben het niet over 'de mensen', ze hebben het over de Economie en het Recht of over deeltjes van de mens. De legitimiteit van de bioloog wordt niet in vraag gesteld, want 'de mensen' snappen toch niets van genetica. Wie zich over politiek uitlaat begeeft zich echter op het terrein waar 'de gewone man' alles van af weet. Op deze manier schetst men een stupide tegenstelling tussen identieke kennisregimes. Een wetenschapper is derhalve pas een intellectueel van zodra hij of zij ongelijk kan krijgen van zijn/haar studieobject, daar komt het zowat op neer.
Blommaert besluit dat de aversie tegen de moeilijke woorden van bepaalde groepen intellectuelen een retorische strategie is die de autoriteit van die groepen ontkent of betwist, en die autoriteit meteen, in dezelfde beweging, situeert bij 'de gewone man'.
Populisme wordt als begrip steeds negatief ingkleurd, en dus zijn het altijd ànderen die populisten zijn. Stevaert, Desmet of Rogiers zijn dat duidelijk niet. In hun eigen ogen zijn zij hetzij ware democratische politici die het 'volk' vertegenwoordigen, of goede journalisten die luisteren naar wat bij het 'volk' leeft. We zien een tweedeling inzake taalgebruik tussen enerzijds een 'plebs' dat authentieke betekenissen uitdraagt door een eenvoudige, gevoelsmatige, volkse taal, en anderzijds intelligentsia die afstandelijkheid, rationaliteit en vervreemding uitdraagt.
De gelijkenissen tussen Herder ('Volk') en Stevaert en de anderen zijn verbluffend. Het Volk wordt voorgesteld als een uniform, ééntalig geheel. Bij allemaal heeft dat begrip 'volk' beide betekenissen, zowel een etnisch-culturele ('de Vlaming') als een sociale ('de gewone man'). Bij allemaal zien we dat intellectuelen vanwege hun taalgebruik voorgesteld worden als niet behorend tot of vervreemd van dat Volk. En bij allemaal zien we hoe het ideaal in communicatie ligt in Volks spreken: spreken gelijk het Volk, of anders gezegd populair spreken. Het gaat hier om een ideologische constructie.
Dit is dan de kern van populisme: het verheffen van datgene wat populair is tot datgene wat goed is, goed voor de mensen. Het is een zeer gevaarlijke redenering, en ze kan alle kanten uit. Men drijft immers op het populisme, maar permitteert zichzelf van tijd tot tijd een afwijking van de wil des Volks, precies in de naam van de wil van het Volk. (Stevaert: 'Dat betekent niet dat goede oplossingen altijd de meest sympathieke zijn. Denk bijvoorbeeld aan onze maatregelen op het gebied van ruimtelijke ordening en verkeersveiligheid.(3) De politicus veroorlooft zich af en toe eens niet te luisteren en op andere vragen in te spelen. (Ook Desmet: 'Politiek is voor een stuk pedagogie'). Leiden vanuit het volk, daar gaat het om, en populisme zal altijd gericht zijn op dat beeld: ik ben een Volks leider. Dat volkse leiderschap moet ook vertolkt worden, en hier belanden we weer bij spreekregimes. De uniformisering van het Volk wordt gekoppeld aan de uniformisering van spreekstijlen. Vermits het volk uniform is, is ook de publieke ruimte uniform en hoort in die publieke ruimte ook een uniforme stijl: één Volk, één genre. Een centrale eigenschap van populisme is dan ook het reguleren van spreekrechten. Wie publiek spreekt moet populair spreken, zoniet spreekt hij of zij niet goed, want hij of zij spreekt dan op een wijze die niet toegankelijk is voor het Volk in de twee betekenissen van het woord. Publiek spreken is spreken in uniforme vertogen, het produceren van een massaproduct dat massaal kan geconsumeerd worden.
Niets is intrinsiek populair. Dingen worden populair gemaakt, en dit proces is nu net de kern van een marktkapitalistisch systeem. Populair is datgene wat goed verkoopt. Populaire vertogen kunnen we dan ook niet los zien van de machinerie die hen populair maakt: de media. Populisme voedt zich hier vakkundig aan een consumptiemodel van communicatie. Het gaat hier niet om symbolische consumptie, we hebben het hier over echte, harde economie, over industrieën en kapitaal, met ondernemers en aandeelhouders en alles erop en eraan. Het is dus ook aangeraden de huidige mediadiscours te zien als ware commerciële producten die vermarkt worden binnen een ruimte die gekarakteriseerd wordt door bikkelharde concurrentie. Het gaat per definitie om massaproducten: één boodschap of beeld moet op een zo groot mogelijke schaal distribueerbaar en consumeerbaar zijn, zoniet is het geen goede boodschap of beeld. Hierdoor krijgen we een merkwaardige beweging die politiek en consumentisme door elkaar mengt. Concreet: de kijk- en verkoopcijfers van de media-items die over politiek gaan worden gezien als indicatoren van het democratisch - Volkse - karakter van de vertoonde politiek. En precies dit kloof-dichten van via het opleggen van een nieuw, Volks spreekregime is de rol die de media zichzelf hebben toegedicht in de politiek. Maar één ding ontbreekt in dit plaatje: het feit dat dit alles een effect is van, en dus gestuurd wordt door, de concurrentieslag tussen zenders, kranten en programma's. Dat is de bottom line: een beter geconsumeerd product wordt gezien als een intrinsiek beter product. Het product wordt losgekoppeld van de economische invloeden die erop inwerken, en men doet alsof 'de politiek zo is' en de mediatisering ervan er niets toe doet. Niets is minder waar natuurlijk, en de wijze waarop de media politiek construeert doet er alles toe. Samen met de feiten geeft de media talloze aanwijzers over die feiten mee (bvb. het verschil tussen 'Premier Verhofstadt zegt / beweert / houdt vol dat het goed gaat met de economie'). De media scheppen en organiseren het politieke discours. Kortom: wanneer we in de media onze politici als communicatoren zien, horen we de media zelf aan het woord. De media zijn dus rechtstreekse producenten van politiek discours. Het is dus nonsens te beweren dat de media gewoon maar doorgeefluikjes zijn die de realiteit zonder eigen ingrepen kenbaar maken aan het publiek. De media zijn de politiek, in die zin dat die politiek enkel kenbaar is op de manier van de media. De politiek zoals we die kennen is een reeks massaal geproduceerde consumptieproducten die aan democratische prijzen gesleten worden aan een zo ruim mogelijk cliënteel. Hierdoor krijgen we dus enkel nog de keuze tussen populaire beeldvorming en zeer populaire beeldvorming.
Samenvattend: tussen het beeld van de ingewikkeld sprekende, oude-stijl, ondemocratische en betweterige politicus, en dat van de 'sexy' vernieuwende, democratische politicus die luistert naar de mensen en hen écht vertegenwoordigt - tussen die twee beelden zit een media-industrie. De economische druk op die media vereist een massaal consumeerbaar product. En dit leidt tot het opleggen van een Volks spreekregime dat men evenwel niet voorstelt als een effect van die economische druk maar als een politiek gegeven. Volks spreken heeft niets te maken met democratie, en niets met informeren, maar alles met het marktaandeel van de media. Midden in de kloof tussen burger en politiek zit de commerce.
Het soort populisme dat we hier bespreken is er bovendien één dat uitgaat van een elite qua communicatiemogelijkheden, van hoog opgeleiden met een ruime intellectuele bagage die bovendien uitgebreide communicatie- en studiemachines beheersen (Desmet, Rogiers, Stevaert). Dit is de kwestie: het nieuwe populisme dat we nu zien is er één dat enkel bestaat bij de gratie van grondige en technische analyses van 'de gewone man' en van de uitvoerige media-industrieën die de analyses omzetten in massaproducten. Die analyses voltrekken zich niet in volkse cafés, maar in de kantoren van professionals die aan de hand van uiterst gesofistikeerde technieken, methodes en theorieën, en dus met behulp van zeer elitaire en dure middelen, de stem van de mensen pogen te registreren. Er zit, zoals gezegd, maar rek op in één richting. Niets is derhalve zo elitair en exclusief als het hanteren van de taal van de gewone man vanuit deze positie. De stem van de gewone man is een commercieel product dat massadistributie garandeert. Ze is dus ook in handen, niet van de gewone man zelf, maar van een hele smalle elite die commercie en opinievorming combineert en daarvan een professionele bezigheid heeft gemaakt.
Met andere woorden zijn er nog nooit zo'n strenge regels geweest op het publieke spreken als nu. En dit alles gebeurt terwijl men vanuit de andere hoek steevast benadrukt dat 'de mensen' tellen, aan het woord moeten gelaten worden en zo meer. Er zijn echter steeds minder 'mensen' die echt, direct en zonder gepruts van derden aan het woord komen. Het gaat hier om een schijnvertoning: het feit dat 'de mensen dat willen', of anders gezegd, dat ze dit alles gretig consumeren, zegt niks over democratie, maar alles over het succes van de media om het product gesleten te krijgen.
In afwachting is het volgens Blommaert aan intellectuelen en anderen om hun eigen stem niet op te geven, 'moeilijke woorden' te blijven gebruiken, te blijven werken voor een publiek van handjesvol mensen, de pluraliteit aan stemmetjes, genres en stijlen in deze samenleving welig te laten tieren. Kritiek kan enkel wanneer er verschillen zijn, kwaliteit eveneens. Dat soort pluralisme is een betere voedingsbodem voor le parler vrai dan een geüniformiseerde en op massaverkoop gerichte elitaire Volksheid. Het volk is meervoudig, het kan niet met één enkele stem spreken. Omgaan met 'de mensen' is derhalve luisteren naar en spreken in die diversiteit. Met andere woorden.
________________________________________1) o.a. in zijn artikel 'Over kut-Marokaantjes, hondedrollen en Jean-Marie Le Pen' in De Morgen van 24 april 2002.
2) In het portret-artikel van Joël De Ceulaer en Gerry Meeuwssen over Stevaert, 'Socialist zonder machinevet' (Knack 1 mei 2002, pp. 18-24).
3) Steve Stevaert, Wat goed is voor de mensen p. 11.