|

Dat
was één van de centrale slogans van de betogingen
die plaatsvonden in Gent en Brussel tegen de
onderwijsplannen van Frank Vandebroucke. 4000
betogers in Gent en 2500 in Brussel trotseerden het
slechte weer om opnieuw te mobiliseren tegen
onderwijsplannen die nefaste gevolgen kunnen hebben
voor het hoger onderwijs van de toekomst.
De
protesten namen hun aanvang al in 2006 toen in
verschillende steden acties en betogingen
plaatsvonden met een hoogtepunt van 10.000 mensen in
Gent. Die laatste actie werd mede ondersteund door
de universiteiten en hogescholen zelf aangezien zij
eveneens beseften dat het nieuwe decreet voor het
hoger onderwijs niet alleen studenten trof. Na de
herwerking die de minister had beloofd, is dat nog
steeds het geval, maar blijkbaar opteren de
verschillende bestuurorganen van de
onderwijsinstellingen en het ACOD-onderwijs zich nu
op lobbywerk of hebben ze de maatregelen aanvaard.
Aan de grond van de zaak werd echter amper iets
gewijzigd. Het blijft een door en door neoliberaal
en asociaal plan.
Tienkamp
In
zijn beleidsbrief voor het academiejaar 2007-2008
spreekt minister Vandenbroucke zich uit voor een
“tienkamp voor gelijke kansen”. Verschillende
organisaties waaronder de Vlaamse Vereniging voor
Studenten (VVS) en de christelijke en liberale
vakbonden daagden op hun beurt de minister uit om
inderdaad eindelijk werk te maken van een sociaal,
democratisch en gelijke kansenbeleid. Een overzicht
van de inhoud van het decreet van Vandenbroucke
maakt duidelijk dat dit momenteel niet het geval is.
Eigenlijk zou elk decreet moeten verworpen worden
dat het fundamentele probleem in het hoger onderwijs
niet aanpakt, nl. haar structurele
onderfinanciering. Als we een vergelijking maken met
het buitenland, dan merken we dat Vlaanderen zich in
overal wel profileert als één van de rijkste regio’s
in Europa, maar nog steeds ondermaats investeert in
het hoger onderwijs tegenover haar Europese buren.
De Europese afspraak om 2% van het BBP te besteden
aan hoger onderwijs, is in Vlaanderen bovendien nog
lang niet in zicht.
Kop
van jut blijft de zogenaamde outputfinanciering. Men
maakt de subsidie van de instellingen niet langer
afhankelijk van het aantal ingeschreven studenten,
maar men financiert op basis van het aantal behaalde
studiepunten en diploma’s. De oude regeling zorgde
in zekere mate voor een toegenomen democratisering,
maar de nieuwe regeling laat de financiering
afhangen van het aantal geslaagden. Het dwingt het
hoger onderwijs zich te richten op de studenten met
de hoogste slaagkansen. Minder goede studenten zijn
een financiële last geworden. Elke student weet dat
de reactie van de onderwijsinstellingen niet zal
leiden tot stevige investeringen in de begeleiding
van studenten. Dat zou tevens ten koste gaan van
andere zaken. Neen, de meeste instellingen zullen de
gemakkelijkste weg kiezen, namelijk geen begeleiding
en minder kansen voor studenten die het moeilijker
hebben. Er is dus een serieus risicogehalte voor de
onderwijskwaliteit. De VVS wijst er bijvoorbeeld op
dat ervaringen met diplomabekostiging in Nederland
bevestigen dat deze her en der leiden tot een
uitbundig toekennen van vrijstellingen, punten en
diploma’s. Dat geldt natuurlijk des te meer als het
voortbestaan van de eigen job/vakgroep/instellingen
in het gedrang komt.
Deliberatie uitgehold
De
gevolgen laten vandaag al niet op zich wachten. In
het nieuwe decreet zullen gedelibereerde
studiepunten bijvoorbeeld niet meer in aanmerking
komen voor financiering. Nochtans maakt een student
die gedelibereerd wordt, wel degelijk
studievooruitgang. De niet-financiering van deze
studiepunten holt de praktijk van deliberatie uit.
Aan de UGent is deliberatie in sommige opleidingen
al afgeschaft of een zeldzame praktijk geworden.
Deliberaties moeten uiteraard een uitzondering
blijven, maar het afschaffen er van betekent dat een
deel van de studenten vertraging oplopen voor maar
een belachelijk minimum aan vakken. Ondanks allerlei
maatregelen als “Geïndividualiseerde Trajecten
(GIT)” moet op het einde van de studieloopbaan
meestal nog een jaartje worden opgeofferd. De
studiekost wordt zo danig de hoogte in gejaagd.
Een
ander belangrijk gevolg is dat bepaalde
kansengroepen die minder goed doorstromen,
financieel minder aantrekkelijk worden. De
slaagkansen zijn in het onderwijs, en vooral in het
hoger onderwijs, immers zeer sterk sociaal
vertekend. Slechts enkele honderden studenten met
een functiebeperking komen volgens het huidige
decreet in aanmerking voor extra financiering.
Andere kansengroepen worden zelfs flagrant
genegeerd. Terwijl al jaren wetenschappelijk wordt
vastgesteld dat de onderwijskansen van studenten van
allochtone afkomst, studenten uit TSO- en
BSO-opleidingen, studenten met laaggeschoolde
ouders, etc. veel lager liggen. Het zou dus geen
slechte piste zijn om minder goed doorstromende
kansengroepen extra financieel te laten wegen, maar
als er dan al extra financiële stimulansen
ingeschreven worden in het decreet, dan worden ze
tot overmaat van ramp ook nog eens geplafonneerd.
Kenniseconomie zonder kwalitatieve
opleidingen?
Zoals gezegd werden vroeger de universiteiten
gefinancierd op studentenaantallen en schaalgrootte
en wordt dat nu vervangen door outputfinanciering.
In het nieuwe decreet wordt 45% van de financiering
afhankelijk van de onderzoeksprestaties van de
instellingen. Onderzoek is uiteraard een belangrijke
taak van universiteiten, maar onderwijs komt steeds
meer onder zware druk te staan terwijl net meer en
meer jongeren een hogere opleiding volgen en een
zekere opleiding zelfs noodzakelijker wordt. Zelden
worden nog professoren aangeworven op basis van hun
pedagogische kwaliteiten. Bovendien doet de
toenemende internationalisering, de
Lisabon-doelstellingen, de “kenniseconomie”, etc. de
druk toenemen om onderzoek als prioriteit te nemen.
De stiefmoederlijke behandeling van het onderwijs is
nefast voor de kwaliteit. Men heeft wel mooie
woorden over voor onze zogenaamde kenniseconomie als
troef op de wereldmarkt, maar daarvoor is naast geld
voor onderzoek, ook een budget noodzakelijk voor een
kwalitatieve opleiding van jonge mensen. In het
financieringsdecreet wordt maar 55% uitgetrokken
voor onderwijs terwijl dit in de eerste nota’s nog
65% was.
Het
nieuwe onderzoeksluik dat aan het decreet werd
toegevoegd is tevens opnieuw berekend op basis van
de “output”. Het aantal publicaties, citaten en
afgewerkte doctoraten spelen daarbij de hoofdrol. De
sleutel die men hanteert, hecht bovendien
hoofdzakelijk belang aan Engelstalige publicaties.
Zo is het als instelling eerder renderend te
investeren in onderzoek dan in onderwijs. Opnieuw is
dit een dreiging voor de kwaliteit, maar eveneens
worden daardoor een aantal faculteiten, zoals de
humane wetenschappen, in een benadeelde positie
gebracht. Vele onderzoekers in de humane
wetenschappen publiceren in de taal van hun
onderzoeksobject en schrijven vaker boeken. Het is
bijvoorbeeld geen sinecure een artikel in een
Engelstalige academisch tijdschrift te krijgen over
lokale historische onderwerpen. Hoewel die van groot
belang kunnen zijn voor België, wekken ze soms op
internationaal vlak amper interesse op. Een andere
parameter zijn de afgeleverde doctoraten. En dat
terwijl men in de humane wetenschappen een pak
minder doctoraatsstudenten kan aantrekken via
alternatieve geldstromen en tevens nauwelijks
mogelijkheden heeft om ze nadien nog aan het werk te
houden.
Humane wetenschappen slachtoffer
Ondertussen hebben de humane wetenschappen wel
degelijk een aantal toegevingen gekregen op dit
vlak, maar de asociale ondertoon is natuurlijk niet
verdwenen. De humane wetenschappen blijven
slachtoffer van de zogenaamde rationalisering van
het onderwijs. Om de belasting van het onderwijs te
meten, kent men gewichten toe aan studenten van de
verschillende opleidingen. In deze materie worden
drie studenten humane wetenschappen gelijk gesteld
aan één student uit de exacte wetenschappen. Een
masterstudent tandarts is zelfs 4,2 keer zoveel
waard. Dat betekent op termijn nog minder
begeleiding, nog meer les ex cathedra, minder
proffen voor thesisbegeleiding en een aantal
opleidingen, zoals geschiedenis, zijn al maanden
bezig te pleiten voor studieverlenging (van 4 naar 5
jaar) om onder andere financieel te kunnen
overleven. Het nieuwe decreet zorgt dus voor een
structurele onderfinanciering van de faculteiten
humane wetenschappen.
De
laatste maanden verschenen in verschillende Vlaamse
dagbladen berichten over het feit dat de
internationale mobiliteit van de studenten
stagneert, dat er te weinig wordt deelgenomen aan de
“Erasmus-programma’s” van de EU. Evenzeer maakte de
KULeuven haar onderzoek wereldkundig naar de kosten
van het lesmateriaal. Beide zaken tonen aan dat er
iets grondig mis is en dat een sociaal en
democratisch (hoger) onderwijs nog verre van
aanwezig is. De zogenaamde kerktorenmentaliteit en
de gemakzuchtige student die aan de basis zouden
liggen van een tekort aan internationale mobiliteit
vormen een te simplistische verklaring. Onderzoek
wijst uit dat Erasmusstudenten doorgaans uit een
bepaalde sociale laag komen van ouders met een
gemiddeld of hoger dan gemiddeld inkomen die meestal
ook zelf hoger geschoold zijn. Een andere
belangrijke vaststelling is dat 2/3 van de
Erasmusstudenten een opleiding van vier of vijf jaar
volgt. De oorzaken zijn legio. Een belangrijke
drempel blijft een gebrek aan financiële middelen
plus een enorme bureaucratie die moet doorworstelt
worden. Je stuurt nog altijd makkelijker geld
doorheen Europa dan zes maanden in het buitenland te
gaan wonen.
Gestegen kosten
Het
onderzoek van de KULeuven naar de kosten van
lesmateriaal en de kostenverschillen tussen
studierichtingen bevat ook interessant materiaal,
maar is beperkt tot haar eigen universiteit. Daaruit
blijkt dat de kosten op 20 jaar tijd voor een
niet-kotstudent gestegen zijn van 1030 euro naar
2000 euro en voor kotstudenten van 1980 euro naar
5000 euro per jaar. Een kot kost nu gemiddeld 240
euro tegenover 140 euro tien jaar geleden. Een
belangrijke extra kost wordt veroorzaakt door het
feit dat vandaag bijna alleen nog maar contracten
van 12 maanden worden aangeboden en het traditionele
10 maandencontract stilaan verdwijnt. De overheid is
op zich verplicht om de vijf jaar een
studiekostenmeeting te doen om op die manier ook de
studiebeurzen te bepalen. Zo stond het toch in het
studiefinancieringsdecreet van 2004, maar het
laatste instellingsoverschrijdend onderzoek dateert
van 2000 en was gebaseerd op cijfers uit het
academiejaar 1998-1999. Dus ondertussen tien jaar
oud. Vandaag zijn er stevige aanwijzingen dat de
studiekosten erg gestegen zijn. De huurprijzen
volgen de algemene trend net als de stijgende
voedselprijzen, maar ook de ICT-evolutie waardoor
een PC, dure softwarepakketten en een
internetabonnement noodzakelijk zijn geworden,
wakkert ons vermoeden aan dat de studiebeurzen de
kostenstijging niet volgen. Vandaag dekt de
volledige studiebeurs voor een hogeschoolstudent
slecht 76% van de totale studiekost die werd
vastgesteld in 1998-1999. De sterke stijging van de
uitgaven van studenten betekent dat de beurzen
vandaag nog minder de werkelijke studiekost dekken.
Daarom is het noodzakelijk dat er werk wordt gemaakt
van een studiekostmeting om de beursbedragen aan te
passen aan de werkelijke kosten.
De
stijgende studiekosten tonen duidelijk aan dat het
een forse investering in onderwijs noodzakelijk is
en dat de huidige plannen van minister Vandenbroucke
niet alleen weinig adequaat het probleem zullen
aanpakken, maar integendeel het nog versterken. Ken
Loach zei ooit in een interview over zijn film “Land
and Freedom” dat de maatregelen die men treft tegen
de jongeren meestal aantonen wat het beleid van de
toekomst gaat geven. Het is daarom
hoogstnoodzakelijk dat er vandaag wordt
gemobiliseerd om een einde te maken aan dat soort
beleid! Laten we een herfinanciering van het
onderwijs eisen! Het budget moet opgetrokken worden
tot 7% van het BRP (meer mag ook) en de
outputfinanciering moet afgeschaft worden!.
Bronnen:
"Tienkamp voor gelijke kansen in het
financieringsdecreet" van de Vlaamse Vereniging voor
Studenten (VVS) - http://www.vvs.ac |