Bij de uitreiking van de Geuzenprijs 2010
zaterdag 20 november 2010
Aula Universiteit Gent
door Herman Balthazar
125 jaar geleden, op 6 juli 1885, werd in het Beiers Bierhuis de Bond der oud-leden (B.O.L.) van het Taalminnend Studentengenootschap ‘t Zal Wel Gaan gesticht. Behalve het primaire objectief: een sterk steunpunt vormen voor het jonge ‘t Zal, was er een tweede en meerduidige context. De antiklerikale, de sociale en de Vlaamse strijd stonden in 1884-1886 immers op een keerpunt.
Eerst het antiklerikale, oorspronkelijk de belangrijkste en ook de meest persistente drijfveer.
De prestigieuze en militante schoolpolitiek van de liberale regering Frère-Orban – Van Humbeeck was in de verkiezingen van 10 juni 1884 uitgelopen op een regelrechte ramp voor de liberalen. In Vlaanderen was Gent het enige liberale bastion dat stand hield. Vijf jaar lang hadden de bisschoppen met alle middelen de klerikale weerstand aangevoerd. De campagne wierp zijn vruchten af, mede dank zij stijgende onenigheid in het liberale kamp tussen de doctrinairen en de radicalen. Gedurende 30 jaar, tot bij het uitbreken van Wereldoorlog I, namen de katholieken het regeringsroer in handen. Nooit was de tegenstelling klerikaal – antiklerikaal heviger dan toen.
Dan het tweede versnellingsmoment: de sociale kwestie.
In ‘De Zwaan’ op de Grote Markt te Brussel werd op 5 en 6 april 1885 de Belgische Werkliedenpartij gesticht. De arbeidersklasse verwierf hiermee het wapen van een eigen eenheidspartij op een bijzonder explosief moment van onze sociale geschiedenis. De rellen en stakingen in het voorjaar 1886, vooral in de Waalse industriële regio’s, hadden voor de burgerij een zo bedreigend karakter dat het debat over sociale en politieke rechten voor de arbeidersklasse een onontwijkbaar nieuw karakter kreeg.
Tenslotte het Vlaamse vraagstuk.
Tijdens de liberale regeringsperiode van 1879-1884 werd de derde grote taalwet goedgekeurd, deze over het taalregime in het middelbaar onderwijs. Het was een eerste en door de Franstaligen zeer betwiste stap naar tweetaligheid in het middelbaar onderwijs. Het onderwijs als belangrijkste medium voor de verfransing kreeg hierdoor een aangetaste positie. Nogal wat leden van de nieuwe B.O.L. waren betrokken bij de stichting van militante Vlaamse leerlingenbonden in de athenea en rijksmiddelbare scholen. Hier in Gent op het atheneum in december 1885, waren de Heremans’ zonen de eerste in de rij. (Heremans was in 1852 de leraar die de aanzet gaf tot het stichten van ‘t Zal Wel Gaan.) De geesten werden nu ook rijp voor de volgende, finale stap: de vernederlandsing van de Gentse universiteit.
Alles kwam dus in beweging rond deze jaren. Typerend bijvoorbeeld was het ‘incident flamingo-wallon’ in december 1882. Bij de commissiewerkzaamheden voor de organisatie van een internationaal studentenfeest had de afvaardiging van ‘t Zal Wel Gaan gevraagd alle stukken in beide landstalen op te stellen. De Cercle Wallon had daarop de eis gesteld ook het Waals te gebruiken: twee dialecten naast de ene cultuurtaal. Het incident werd een scheldpartij die weerklank vond in het grootste deel van de Belgische pers. Het vernederlandsingsvraagstuk werd dus inderdaad een politiek en cultureel item van eerste orde, dat velen aangreep en als het ware ‘bekeerde’. Geen mooier voorbeeld dan dit van de jonge hoogleraar en ‘t Zaller Julius Mac Leod. Vanaf 1883 begon deze aan een verbluffende activiteit die de basis kan genoemd worden van wetenschapsbeoefening in het Nederlands. Zijn positivistische en rationalistische overtuiging over de kracht en de maatschappelijke bevrijdingswaarde van de wetenschap werd nu gekoppeld aan de idee van onderwijs in de volkstaal. Hoe ver dit idee in cultuurhistorische en in politieke termen rijp was geworden kon men in 1884 horen wanneer zijn neef en ‘t Zaller Paul Fredericq een pleidooi hield voor de vernederlandsing in zijn inaugurale les als opvolger van Heremans in de leerstoel Nederlandse Taal- en Letterkunde. Men kon het ook afleiden uit initiatieven zoals University Extension, een Hoger Onderwijs voor het Volk, waar vanaf 1892 alle promotoren uit deze Vlaams-liberale en intellectuele kringen voordrachten gaven, ‘t Zallers en oud ‘t Zallers voorop.
De B.O.L. vond dus zijn reden van bestaan in een zeer turbulente tijd. Voor de promotoren ervan was de strategische lijn duidelijk: B.O.L. en het jonge ‘t Zal moesten hun posities kiezen als een integraal en versterkend element van het liberale kamp. De leuze van ‘Klauwaart en Geus’, ja, maar die geus moest lid zijn van de liberale partij.
Blijvende trouw aan de oude orangistische idealen, ja, de geuzenvaan mocht oranje, wit en blauw kleuren, maar het echte gevecht moest binnen de realiteit van het Belgische vaderland gebeuren.
Twee decennia lang leek die dubbele equatie goed te lukken. Het jonge ‘t Zal bloeide en speelde zowel binnen de universiteit als in een aanzwellend Vlaams front een opgemerkte rol. Jaar na jaar werd de B.O.L. versterkt met nieuwe, zeer gemotiveerde leden. In 1900 betekende dat in cijfers: totaal aantal studenten: 802 (3 vrouwen!); jong ‘t Zal: 55 actieve leden; B.O.L.: 118 leden.
Het 50-jarig jubelfeest kon met grote luister gevierd worden, ook dank zij royale geldelijke steun van de B.O.L., die rijke en milde leden telde, zelfs in het verre Amerika zoals dat beroemde en trouwe lid Leo Baekeland, uitvinder van het bakeliet. Wie echter goed luisterde, hoorde in de feestklanken heel wat dissonanten.
In 1903 nam Maurits Basse het secretariaat over van Paul Fredericq. Basse was een trouw liberaal en zeer verknocht aan zijn ‘t Zal en de B.O.L., maar hij was niet opgewassen tegen de aanstormende conflicten. Ik zal er in mijn korte historiek de meeste aandacht aanbesteden omdat het over conflicten gaat die een zeer langdurende nawerking hadden. Vandaag lijken zij in de huidige gang van zaken binnen het jonge ‘t Zal en de B.O.L. voltooid verleden tijd, maar misschien is dit maar schijn want het zeer actuele debat over Vlaanderen en België vindt zijn oorsprong in de politieke doos van Pandora die Basse koppig en principieel wou gesloten houden.
Er was eerst die fel oplaaiende ‘strijd der stelsels’ of de vraag naar de beste strategie om de vernederlandsing van de Gentse universiteit te bereiken.
De twee meest in het oog springende protagonisten uit de ‘t Zallersrangen, Paul Fredericq en Julius Mac Leod, stonden lijnrecht tegen elkaar. Fredericq wou een compromis van de langzame weg, Mac Leod wou de snelle en radicale weg. Op 29 september 1905 schreef Mac Leod aan Basse dat hij ontslag nam uit de B.O.L.. In het jonge ‘t Zal was het al vanaf het voorjaar 1904 hommeles. Het leidde op 16 december 1904 tot de eerste scheuring: 14 leden stichtten de kring ‘Ter Waarheid’, 50 leden bleven trouw in de rangen van ‘t Zal, maar het felle debat was er niet gesloten.
Noch in de liberale partij, noch in de BWP vonden die radicale vrijzinnige flaminganten gehoor. Aan de andere zijde stond een groeiend bos van blauwvoetvendels, die Vlaanderen exclusief aan Christus wilden wijden. Wellicht ligt daar wel de voornaamste verklaring van de stap naar het activisme, die een felle minderheid maakte.
Laat mij het illustreren met de casus Adriaan Martens, omdat hij zo scherp aantoont dat het ganse interbellum door het conflict aan de orde bleef.
Adriaan Martens (1885-1968), geneesheer-specialist interne geneeskunde, werd in zijn studententijd driemaal voorzitter van ‘t Zal. In 1916 aanvaardde hij een docentschap in de door de Duitse bezetter opgerichte Vlaamse Hogeschool. In 1918 werd hij lid van de Tweede Raad van Vlaanderen, de activistische voorafspiegeling van een zelfstandige Vlaamse regering. Martens werd in 1919 bij verstek ter dood veroordeeld. Pas in 1935 keerde hij terug uit zijn Hollandse ballingschap. Hij opende in Astene een privé-kliniek, gebouwd door Henri Van de Velde. Hij had toen al wereldfaam, alhoewel de Gentse faculteit geneeskunde in 1931 het door hem ingediende proefschrift voor een aggregatie hoger onderwijs had geweigerd. Eind 1938 benoemde de drieledige regering P.H. Spaak Martens tot lid van de pas opgerichte Vlaamse Academie voor Geneeskunde. Op 2 februari 1939 vroeg de liberaal Mundeleers hierover de vertrouwensstemming. Met de ongevraagde steun van het VNV overleefde de regering de stemming met 88 tegen 86 stemmen bij 7 onthoudingen. Enkele dagen later stelden de liberale ministers hun ultimatum. Martens afzetten of regeringscrisis. Het werd regeringscrisis en vervroegde verkiezingen, waar enkel de katholieken en het VNV winst maakten. Het was vijf maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.
De casus Martens was niet uitzonderlijk. Tamelijk veel van de meest actieve en wetenschappelijk meest getalenteerde ‘t Zallers kwamen in het activistisch avontuur terecht. Bijna allemaal namen zij de wijk naar Nederland en bouwden er schitterende carrières op, zoals Marcel Minnaert, wereldberoemd sterrenkundige aan de Utrechtse universiteit.
Het werd 12 mei 1920 vooraleer de naoorlogse werkzaamheden begonnen met de 30e algemene vergadering, eerst de serieuze zaken in café ‘Het Fonteintje’ op het St.Baafsplein. Daar waar ook de likeurstokerij gevestigd was die de flessen Plumet verkochten, zo lyrisch bezongen in het epos van de roeiwedstrjden… Daarna trok men naar het nog steeds somptueuze banket in de ‘Roches de Cancale’. Het was nochtans een mager begin: 28 oud-leden hadden zich ingeschreven; 14 studenten zaten mee aan op het banket.
Hoeveel er van de 152 leden in 1914 nog overbleven was moeilijk uit te maken. Secretaris Maurits Basse (1868-1944) had op eigen verantwoordelijkheid een gezuiverde lijst gemaakt. Allen, die in feite of in vermoeden, behoorden tot de activisten of tot de Frontpartij, had hij niet uitgenodigd, maar op de vergadering werden geen namen genoemd.
Zijn Belgisch vaderlandslievende voorzichtigheid ten spijt, schreven meerdere leden dat zij ontslag namen. Ik citeer uit één van die brieven, deze van Gustave Magnel (1889-1955), die in 1927 professor werd en wereldberoemd voor zijn aandeel in de ontwikkeling van gewapend beton en spanbeton:
“… Vroeger zag ik ook in de vervlaamsching van onze Hoogeschool de oplossing van de Vlaamsche Kwestie. Voor den oorlog was zulks wenschelijk en mogelijk en het scheen niet alsof die vervlaamsching de bestuurlijke scheiding moest aankondingen en dus ook het einde van het bestaan van ons land….”
In deze politieke atmosfeer was de oude slagkracht van de B.O.L. onvermijdelijk aangetast want ook met het jonge ‘t Zal bleven de verhoudingen gespannen en soms zelfs even verbroken. Ik zou dit verhaal graag verder vertellen want B.O.L. en ‘t Zal bleven en blijven, in merkwaardige ups en downs, een boeiende geschiedenis, die u van mij mag tegoed houden.
Plaats nu voor de eerbiedwaardige Geuzenprijzen, maar geef mij nog even de tijd om af te sluiten met een gans ander conflict tussen de B.O.L. en het jonge ‘t Zal, een conflict dat illustratief voor de altijd aanwezige spanning met de cynische buien van de feestelijke tradities in ‘t Zal.
Op de jaarvergadering van de B.O.L. in 1934 werd opnieuw sterk gepleit voor nauwere banden met het jonge ‘t Zal, alhoewel het voor sommige oud-leden totaal beheerst werd door communisten. Men was in elk geval blij dat de uitgave van de 53e studentenalmanak werd aangekondigd. Tot ontzetting van Maurits Basse, die een proefdruk kreeg, las hij er een stuk van Van het Vee waarin een scherpe persiflage op pater Callewaert te bespeuren viel. Het moest de aanzet zijn van een vervolgverhaal over ‘Don Calle y Calotas’ en de titel was:
“Bijdrage tot de opheldering van de aanleidende oorzaken van de opstandige beweging der pastoors in Mexico ofte de geheimnisvolle lijdensweg van Mevrouw Preuta Profunda.”
Basse was in alle staten. Aan de redactiesecretaris Vic Monteny schreef hij:
“Dat stuk bestaat uit een reeks grove vuiligheden, die met geestigheid niets te maken hebben en die van den graad van beschaving waarop het huidige ‘t Zal staat, geen hoogen dunk geven…”
Om toch aan hun centen te geraken hebben de jonge ‘t Zallers dan de pagina’s 168-175 eruit geknipt in de 169 exemplaren bestemd voor de leden van de B.O.L.
Wie de gezuiverde en de volledige versie op de kop kan tikken: het is een uniek collectors item.
Zoals zo veel uniek is in de geschiedenis van de B.O.L. en van ‘t Zal. Dat beiden leven, bravo, bravo, bravo.
– Herman Balthazar
