't Zal Wel Gaan

't Zal Wel Gaan

is het vrijdenkerscollectief (° 1852) van Gentse studenten van unief en hogescholen.
Het komt elke dinsdagavond samen voor rijkelijk bevloeide discussies bij kaarslicht onder de leuze "niemands knecht, niemands meester!" of ook wel "nie geluve!"
  • ‘t Zal Wel Gaan
  • ‘t Zchrift
  • 160 jaar ‘t Zal
  • Agenda
  • Foto’s
  • Geuzenprijs
  • Opinies
  • Contact en lid worden
  • Laatste foto:
  • Komende activiteiten:
    • › Sofie Van Bauwel over pornoficatie in de media
      28 februari 2012 om 20:00
    • › Lezing SM-Rechter
      05 maart 2012 om 19:30
    • › Paul Moyaert over de relevantie van psychoanalyse vandaag
      06 maart 2012 om 20:00
    • › Alex Klijn over mindfulness
      13 maart 2012 om 20:00

› Openingsdialoog ‘Porno in proza gedrenkt’, 2 december 2009

P: Pornografie is al zo oud als de nacht.

L: Literatuur is al zo oud als de wereld. Weet dat de mens vanaf het moment dat hij zijn ogen opendeed, verhalen schreef met erin de wezens en de wereld om hem heen.

P: Weet dat de mens vanaf het moment dat hij zijn ogen opendeed, begeerde wat onzichtbaar bleef en wachtte op momenten van onthulling, die momenten kweekte met zijn pen of waar hij mee kon tekenen.

L: Personages zijn veranderd door de tijd, maar blijven vrienden, voorbeelden of antihelden. We leven met de mensen op papier.

P: Natuurlijk hebben we inmiddels meer dan stilstaand beeld om onze fantasie te prikkelen. Maar bepaalde dingen zijn gebleven: het dédain waarmee er over porno wordt gesproken, het plezier waarmee er wordt gekeken.

L: We leven met de mensen op papier, we lezen over hun vertrouwen, wanhoop, overgave en voelen het in hun plaats. Maar dit gaat niet op voor elke tekst, we markeren met chirurgische precisie grenzen tussen literair en kwaliteitsloos, roerend of slechts zinnenprikkelend, heerlijk luchtig of banaal en inhoudsloos.

P: Het dédain richt zich op de uitbuiting van acteurs, tegen eenzijdige portretten van een mens als louter lust en kreunen, zonder oog voor wie het is die dit genot ervaart en hoe het zich verhoudt tot andere delen van een leven. Het is het beeldequivalent van fastfood, het is een drempelloos aanbod van prikkels die slechts binnenkomen maar niet uit worden gegeven. En bovendien: genieten zij die ons die prikkels geven?

L: Scrupules naar onze personages hebben we doorgaans niet. We voelen ons niet voyeuristisch als we graten langszij schuiven om nog dieper in het vlees te kunnen dringen, we kluiven de botten alsof ze van goud zijn en we luisteren mee naar de stem in het hoofd. Maken wij ons zorgen om hen, of hoeft dat niet omdat ze niet echt zijn?

P: Mag je echte mensen onderwerpen aan een versimpeling zoals in porno gebeurt? Of biedt het kansen aan fantasieën en lusten? Op fetisjisten na is iedereen tegen misbruik, maar porno is niet noodzakelijk misbruik. Internet is niet enkel Sodom en Gomorra, maar ook een paradijs van nieuwe mogelijkheden.

L: Wie ontkent nog dat ook in de literatuur de grenzen vervagen? “Ik, Jan Cremer” door Jan Cremer, is dat niet louter cult-bagger?

P: En wat te denken van Deep Throat? Mensen walgen er vandaag de dag van, maar in 1972 trok de elite en masse naar de cinema om dit kunstwerk te aanschouwen.

L: In literatuur praten we over liefde, over kunst, over wreedheid, over verrassing, feest, iets kan goedkoop, iets kan hard, iets kan prachtig of gewoon zijn.

P: Maar geldt dit ook niet voor porno? Porno is een feest, het kan kunstig gefilmd, gemonteerd, geacteerd worden. We zien wrede, tedere, lieve, lustige seks. Porno kent ook schakeringen, hoewel vaak niet meer in woord, maar in beeld.

L: Heeft literatuur bovendien altijd inhoud? Wat te denken van eindeloze beschrijvingen van hoe de dingen eruit zien, alsof dit een blik moet werpen op wat eigenlijk achter het beeld ligt. Niet iedereen is daarvan gecharmeerd.

P: Ligt er iets achter pornobeelden? Is de porno de transparante laag waarachter zich een web van menselijkheid ontspint? Of zijn we beter af met woord en beeld dat niet onthult, maar streng verborgen laat waarnaar we eigenlijk willen kijken? Is porno leeg?

L: De literatuur heeft door de eeuwen heen haar eigen symbolen en manieren ontwikkeld om de leegte te ontwijken. Het doet je nadenken, inleven, in het beste geval zelfs veranderen.

P: Kun je eenzelfde analytische gereedschapskist op porno loslaten? Bij het zien van fragmenten zullen we ons opgewonden voelen, gedegouteerd, getroffen door de onschuld van de mensen, of verwonderd over de fysieke plooibaarheid van ons lichaam. Zijn dit lagere gevoelens dan in de literatuur? Of is dit de porno-specifieke vulling van de leegte?

L: Wij willen weten op welke manier expliciete beelden ons begrip van tekst beïnvloeden. We bieden je verhalen, gedichten, en krantenartikels. Kun jij erbij blijven met je hoofd? Zie jij nieuwe invalshoeken die je nooit opgemerkt had tijdens het lezen?

P: En hoe denken we over porno bij woorden over liefde, over seks, over de mens? Kijk mee, en durf denken.

› Bedenking bij lezing door Kris Verburgh, 3 maart 2009

Dinsdag 3 maart kwam Kris Verburgh bij ‘tZal praten over de verhouding (of zelfs: over de mogelijkheid van een verhouding) tussen wetenschap en spiritualiteit. In het auditorium aan de Plateaustraat, geboekt in de verwachting van meer volk dan er was, sprak hij bijna uur vol vuur van kosmologie, verbondenheid in de wereld en de schoonheid die te vinden is in wetenschap—en gelukkig kon het volk dat er was, zijn woorden wel smaken, zoals ook bleek uit de talrijke en zeer inhoudelijke vragen die volgden op zijn pleidooi. Dat pleidooi bestond erin dat wetenschap, in tegenstelling tot de mogelijke opvatting dat ze vooral neutraal en niet-affectief mag zijn, wel degelijk ook een emotionele component mag kennen in de overdracht van resultaten. Verburgh, een nog zeer jonge student geneeskunde in Antwerpen die al verscheidene boeken op zijn naam heeft staan, ziet parallellen met religieuze of mystieke ervaringen: wetenschap kan niet alleen bepaalde gemoedstoestanden zoals het gevoel van buiten het lichaam te treden of het gevoel van intens in contact te staan met de leefwereld, verklaren op basis van het brein, maar kan zelfs tot deze gevoelens inspireren door de ongelooflijkheid van wat we weten en te weten kunnen komen over de wereld. Een voorbeeld kan zijn dat we allemaal voortkomen uit het materiaal dat al vanaf het begin (voor zover je over een begin kunt spreken zonder een stadium daaraan voorafgaand te impliceren) van het universum aanwezig is en gevormd wordt. We zijn niet alleen verwant met alles in ons zonnestelsel en alle andere stelsels, maar we zijn het ook.

Ondanks dat ook ik geraakt werd door het enthousiasme van zijn verhaal, kon ik niet anders dan kritische noten plaatsen. Als filosoof-in-opleiding met een voorliefde voor vragen omtrent de receptie van wetenschap in de maatschappij vraag ik me af of de manier waarop hij zijn verhaal construeert, volledig te verantwoorden is. Zo spreekt hij over bepaalde kosmogonische theorieën als over 100 % ware stellingen, en laat hij nergens ruimte voor wetenschappelijke twijfel, of toch wetenschappelijke en kritische zelfreflectie en het besef dat we theorieën altijd slechts voorlopig voor waar aan kunnen nemen.

Het valt te beargumenteren dat het inbouwen van deze caveats altijd vernietigend werkt op de kracht van een betoog. Ik denk dat dat in zekere mate klopt, hoewel dat nog niets zegt over de morele plicht tot volledig informeren van je publiek, zeker inzake educatieve of wetenschappelijke onderwerpen. Het grootste probleem dat ik met zijn werkmethode heb, is echter dat hij deze min of meer gestaafde theorieen inbouwt in wat een alternatief scheppingsverhaal genoemd kan worden. Hij heeft een welbepaald doel, namelijk mensen te enthousiasmeren voor wetenschap, en hen de wonderen en schoonheden ervan te laten inzien, en een bepaald levensgevoel teweeg te brengen. Op zich is hiermee niets mis, maar wel als dit regelrecht indruist tegen de essentie van die wetenschap. Die essentie bestaat er voor mij in dat we als gemeenschap van kritische denkers onze geesten proberen te scherpen aan elkaars kennis en opinies. In dat proces past ook kennis die soms nog vrij speculatief is, en ook wat die kennis affectief teweegbrengt. Daarin past echter niet de wens om met een nieuw, overstijgend en vooral in slaap sussend narratief te komen. Wetenschap kan inzichten bieden in de aard van de mens en de wereld die troost bieden, maar mag dit nooit tot doel hebben. Systemen die dit wel tot doel hebben, die tot doel hebben mensen troost te bieden met een hapklaar en rozegeur en maneschijn uitwasemend verhaal, kennen we allemaal en geven we geen of nauwelijks epistemologisch krediet. Waarom zouden we dat dan wel doen met een—ik geef het toe, niet eens schoorvoetend—hoopgevend en warm discours dat slechts qua vorm, en niet qua methode verbonden is aan goede wetenschap?

Laat ik het nog eens duidelijk stellen: ik heb genoten van de lezing van Verburgh en de vragen en antwoorden die erop volgden. Ook voel ik me al langer geneigd om zijn laatste boek aan te schaffen (“Fantastisch! Over het universum in ons hoofd”), en die neiging is niet verminderd door deze kritische opmerkingen. Wel vind ik het noodzakelijk om te blijven inzien dat het te allen tijde belangrijk blijft om zelf te blijven denken, en altijd te blijven vragen waarom je bepaalde opvattingen voor plausibel aanneemt. Verburgh zelf zal, zo verwacht ik, inzien hoe en waarom zijn passioneel betoog gerelativeerd kan worden, en als interessant denker zal hij dit gesprek niet vermijden. Wat misschien op lange termijn nog veel waardevoller is dan het warme bad dat Verburgh kan bieden, zeker voor mensen die een kritische en zorgvuldige reflectie op wetenschappelijke methoden, resultaten en geldigheid niet gewoon zijn, is de goede winterjas van het kritisch denken. Het gaat dan om een mantel die altijd aangevuld kan worden met een affectief bewustzijn van de wereld, een bewustzijn dat echter niet de boventoon mag voeren op de kritische reflectie.

— door Anna de Bruyckere

› Toespraak bij Geuzenprijs 2002

Aula van de Universiteit Gent, 26 oktober 2002, door Marc Van de Perre, voorzitter van het Geuzenprijscomité

Dames en heren,

Gelovigen leven langer, en zulks niet enkel nadat zij zijn gestorven, maar ook, schijnt nu, daarvoor. Gelovigen leven zelfs bij leven langer en gelukkiger dan wij.

Een en ander is vernomen uit onverdacht wetenschappelijke bron maar de Kardinaal, die zoals u weet iets met wetenschap heeft, is wel meteen op de kar gesprongen en levert van daar een als u het mij vraagt zeer merkwaardig discours.

Beminden in al uw waarden en hoedanigheden, zegt hij dus van op die kar, als u het niet voor ons doet, en niet voor god, doe het dan tenminste voor uzelf.
Laat het dan niet om het Woord en de Waarheid gaan, het gaat om uw lang leven. Word wakker want het is tijd om te gaan slapen en denk nu toch eens een beetje pragmatisch, denk zoals ik. Als ik weet, en ik weet het, dat ik u het hiernamaals niet meer kan slijten, dan slijt ik u toch gewoon een lang en een gelukkig leven?

En wat mij ook opvalt: bekende vrijzinnige Vlamingen spreken er in talkshows en in lifestyle magazines zo graag hun droefenis over uit: ik wou dat ik kon geloven, zeggen zij, maar spijtig, ik kan het nu eenmaal niet. U zult mij niet horen zeggen dat ze liegen – droefenis is droefenis – maar het slaat nergens op.
Dames en heren laat ik u iets bekennen! Ik wou, dat ik kon geloven in de heiligheid van een scheefgewaaide dakpan, of van een pot rode menie, maar helaas, ik kan het nu een maal niet.

Welk een vreemdsoortig kromdenken wordt er nu toch weer over Vlaanderen uitgegoten? Geloven moet men voor zijn gezondheid, en diegenen die niet goed kunnen, hebben niet goed geprobeerd, tenzij ze goed geprobeerd hebben en nog niet kunnen. In dat laatste geval is er sprake van gemis.

Ach ik heb het weer allemaal kwaadwillig verkeerd verstaan zeker. Ik moet eens goed luisteren, want het discours gaat beslist veel dieper.
Het gaat over het geloof als onovertrefbaar medicijn, een medicijn met actieve bestanddelen, tegen verzuring.

Mijnheer de Kardinaal, dames en heren, nu we het daar toch over hebben, kan ik u vertellen dat we het daar nu net wilden over hebben. We hebben er namelijk het thema van onze feestviering van gemaakt.

Met tevredenheid en met enig succes kunnen de vrijdenkers van ‘t Zal Wel Gaan terugkijken op 150 jaar bakkeleien met alles wat Vlaanderen al die tijd in zijn verstikkende, betuttelende en hypocriete greep heeft gehouden. Vlaanderen is zijn min of meer ontkerkelijkte zelf geworden.

Maar onverdeeld tevreden zijn we zeker niet, want die ontkerkelijkte wereld hadden we ons wel degelijk een beetje anders voorgesteld.
Wat bakken we van onze gewonnen individuele vrijheden?
Nu we niet meer naar de kerk hoeven, hebben we meer tijd om naar big brother te kijken, en nu de pastoor ons kiespotlood niet meer vasthoudt, stemmen we met zijn allen voor het Vlaams Blok. Is er meer dialoog, is er meer solidariteit? Voelen de mensen zich nu echt beter in hun vel?

Als de ‘t Zallers zich eerlijke, vrije en solidaire mensen willen blijven noemen, is er werk aan de winkel. Minstens nog eens 150 jaar.

Want laat dit duidelijk zijn, meneer de Kardinaal, wat u daareven over die verzuring en zo zei, zeggen wij ook en met net zoveel nadruk. U moest dus maar eens ophouden er het auteursrecht van op te eisen.

En om dat nog eens heel duidelijk in de verf te zetten, gaan we de geuzenprijs toekennen aan een volgens ons eerlijke, solidaire en moedige vrijdenker, die doet wat hij vindt dat hij moet doen en er niet aan denkt om daar zonodig auteursrechten voor op te eisen.

Dames en heren, in al uw waarden en hoedanigheden.

U zult hebben gemerkt dat we, anders dan anders, de naam van de laureaat van onze geuzenprijs 2002 niet vooraf hebben wereldkundig gemaakt.

En zelfs nu wil ik er de spanning nog even in houden.

Nog even temporiseren graag. Wat dacht u, bijvoorbeeld, van een stukje … bijbelexegese.

Luistert u even zeer aandachtig.

Jezus stapte van het kruis
alleluja
pakte zijn velo en reed naar huis
alleluja

Aldus schreef ooit de Heer met de hand van een mij onbekende ‘t zaller, die daar dan nadien trouwens een fles plumet heeft voor gekregen – want indertijd was het de gewoonte om ‘t zallers die de Schrift aldus verrijkten te lauweren met een fles plumet. Maar daar gaat het hier nu niet over.

Wat heeft Jezus ons in deze vier enkele verzen voorgeleefd.

Wel dit. Wat doet een mens, of eventueel een godmens, na gedane zaken? Hij pakt zijne velo en rijdt naar huis. Christus werd aan zijn een kruis genageld, stierf, bevrijdde de mensheid van de erfzonde, verrees vervolgens en ging nadien gewoon naar huis, waarna er zoals u weet nog weinig van hem is vernomen..

Van deze Christus kan ik houden.

Dames en heren,

Zou dat niet eens iets zijn om een geuzenprijs voor toe te kennen. Er zijn zo veel eerlijke, moedige en solidaire vrijdenkers die in hun omgeving gewoon doen wat ze vinden dat ze moeten doen, die veel voor hun overtuiging over hebben, die met die overtuiging op een eerlijke manier om proberen te gaan, en die na gedane arbeid gewoon naar huis keren, of ergens een pint gaan drinken, waar doorgaans niet al te veel schijnwerpers staan.

De geuzenprijsuitreiking, vinden wij, is een goede gelegenheid om Vlaanderen eens aan iets te herinneren. Iets dat de laureaat, liefst een bekende Vlaming, zegt, schrijft, doet of is, en dat we onder de aandacht willen brengen.

Maar voorlopig hebben wij van bekende Vlamingen dus even genoeg.
Is er ergens in Vlaanderen een fles hoestsiroop die slecht verkoopt: haal er een bekende Vlaming bij! En als er geen bekende Vlamingen meer zijn, maak er dan een paar zelf. Hebt u een leuke handicap of bent u een beetje achterlijk, geen bezwaar, integendeel, als het maar plezant is! Komt vrienden in het circus. Vlaanderen koestert zijn BV’s en koestert ze in aquaria.

Als we daar nu eens voor een keer mee ophielden. Modellen genoeg gezien. Het levert behalve wat idolatrie niet zoveel meer op.

Hierom en daarom, dames en heren, hebben wij besloten en besluiten wij, in naam van de Bond der Oudleden van ‘t Zal wel Gaan en van het Fonds Tony Bergmann en met dank aan de Unie van Vrijzinnige Verenigingen, weloverwogen en wel overwegende maar tevens uit pure dwarsheid, om voor de geuzenprijsuitreiking van het gezegende jaar 2002, net honderdvijftig jaar na het gezegend jaar van Julius Vuylsteke en net iets langer na het gezegend jaar van Gwijde van Dampierre, geen bekende Vlaming van het schap te halen.

Laat de Vlaming zich niet langer vergapen op bekende sujetten, laat de Vlaming nu eens gewoon zelf zijn handen uit de mouwen steken.

Beste vrienden in al uw waarden en hoedanigheden, het mag u nu misschien toeschijnen alsof de geuzenprijs editie 2002 niet wordt uitgereikt, maar u vergist zich. De geuzenprijs wordt uitgereikter dan ooit tevoren.

De geuzenprijs 2002 reiken wij uit aan de eerlijke, moedige en solidaire vrijdenker die in zijn omgeving gewoon doet wat hij of zij vindt te moeten doen, die veel voor zijn overtuiging over heeft, die met die overtuiging op een eerlijke manier om probeert te gaan, en die na gedane arbeid gewoon huiswaarts keert, of ergens een pint gaat drinken, waar niet al te veel schijnwerpers staan.

Er nu de paradox: we hadden onze geuzenpenning zo graag symbolisch fysiek willen overhandigen aan een bescheiden, eerlijke, moedige en solidaire vrijdenker, die best wel even een podium wil bestijgen om daar voor de bescheiden, eerlijke, moedige en solidaire vrijdenker symbool te komen staan. Maar die hebben we natuurlijk niet gevonden.

En zo komt het dames en heren, dat de geuzenprijs 2002 wel uitgereikt wordt maar helaas niet overhandigd.

› “Gedachtje” bij 150 jaar ‘t Zal Wel Gaan

Geen god geen meester. Vrijdenkers hebben heel lang strijd geleverd tegen een door hogere en onbetwistbare machten opgelegde zingeving, die uiteraard geen zingeving is net omdat ze door hogere en onbetwistbare machten is opgelegd. Mensen moeten hun eigen oordelen vestigen en hun eigen keuzen maken, hierin slechts gesteund door het vrij onderzoek en zeer on-eeuwige humanistische waarden. Zo doende kom je als vanzelf in het geweer tegen de kliek die Vlaanderen zolang in zijn verstikkende en hypocriete greep heeft gehouden. Je eet stoofvlees op goede vrijdag en organiseert ontdopingsacties.

Die strijd is voor een goed deel gestreden. De mensen gaan steeds minder naar de mis, twijfelaars hoeven niet noodzakelijk meer naar de hel, homo’s zijn ook mensen, masturberen mag (zij het niet overdrijven) en onderpastoors die aan kleine jongetjes zitten worden zowaar als het echt moet terecht gewezen. Het katholieke netwerk probeert zichzelf te overleven, overigens niet geheel zonder succes, maar het zoekt een nieuwe hoed, want de oude is versleten.

Leven we in een betere wereld, nu de mensen een beetje mogen denken? Nu de pastoor zijn greep op Vlaanderen aan het verliezen is? Wat bakken we van onze herwonnen individuele vrijheden? Stoelen we onze waarheden steeds meer op vrij onderzoek? Is er meer dialoog? Is er meer solidariteit?

Of m.a.w., de ontkerkelijkte wereld ziet er niet helemaal uit zoals we ons die hadden voorgesteld. De mensen kijken naar big brother en stemmen op het Vlaams Blok. Maar ze gaan niet naar de kerk en daar zijn we dan heel blij mee.

Moet er niet eens iets anders gebeuren?

En over die nieuwe en die oude hoed gesproken. Is het niet godgeklaagd vast te moeten stellen dat het katholieke netwerk, in zijn overlevingspogingen en met de flexibiliteit die het zo kenmerkt, de over-individualisering, de vervreemding die ook wij menen op te merken en die de wereld er beslist niet mooier op maakt, nu aangrijpt om er een nieuwe identiteit op te bouwen. Er zijn geen waarden meer, zeggen zij, omdat de pastoor nu eenmaal niet meer is wat hij geweest is, en dat is de vrijdenkers hun schuld. Hebben we het niet altijd gezegd? Zonder ons lukt het nooit.

© 2012 TSG 't Zal Wel Gaan