't Zal Wel Gaan

't Zal Wel Gaan

is het vrijdenkerscollectief (° 1852) van Gentse studenten van unief en hogescholen.
Het komt elke dinsdagavond samen voor rijkelijk bevloeide discussies bij kaarslicht onder de leuze "niemands knecht, niemands meester!" of ook wel "nie geluve!"
  • ‘t Zal Wel Gaan
  • ‘t Zchrift
  • 160 jaar ‘t Zal
  • Agenda
  • Foto’s
  • Geuzenprijs
  • Opinies
  • Contact en lid worden
  • Laatste foto:
  • Komende activiteiten:
    • › Sofie Van Bauwel over pornoficatie in de media
      28 februari 2012 om 20:00
    • › Lezing SM-Rechter
      05 maart 2012 om 19:30
    • › Paul Moyaert over de relevantie van psychoanalyse vandaag
      06 maart 2012 om 20:00
    • › Alex Klijn over mindfulness
      13 maart 2012 om 20:00

› Contactpagina?

‘t Zal Wel Gaan is te bereiken via tzalwelgaan[at]gmail.com, via de facebooks van de mensen op deze pagina ofwel via de facebookgroep.

De Bond der Oud-Leden is te bereiken op boltzalwelgaan[at]gmail.com. Huidig voorzitter van de BOL is Bob Van de Voorde. Mark Duyck is permanent secretaris.

‘t Zal Wel Gaan kent sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw anarchistische statuten. Dat betekent dat de vereniging geen duidelijk hiërarchisch bestuur heeft, zoals de meeste verenigingen. Natuurlijk moet er wel van alles gedaan worden, en hier vind je de namen, titels, wat informatie en contactinfo van een boel ‘t Zallers die regelmatig komen en in meerdere of mindere mate ook wel eens de handen uit de mouwen steken. Aarzel niet om ons te contacteren!

› Geuzenrede Erwin Mortier

Eminente leden van het Genootschap ’t Zal Wel Gaan,
Geëerde Mede-Laureaat,
Dames en Heren,
Lieve vrienden,

Het is altijd een ietwat zorgelijke aangelegenheid voor me een onderscheiding in ontvangst te nemen. Hoe gevleid ik me ook voel, alles is ijdelheid, altijd blijf ik me enigszins argwanend afvragen of er geen vergissing in het spel zou zijn, of er misschien geen sprake is van een valstrik.  Samenlevingen zijn niet altijd even dol op hun dichters, elke lof dreig ik dus een beetje verdacht te vinden. Mijn argwaan heeft lange historische wortels. Uit de lessen van Professor Vermeersch, die hier vandaag met dezelfde Geuzenprijs gelauwerd wordt, leerde ik dat Plato weinig van mijn soort mensen moet hebben.

‘Wanneer een van deze heerschappen, die zo geslepen zijn dat ze alles kunnen imiteren, op ons toetreedt en voorstelt zichzelf en zijn poëzie ten toon te spreiden,’

schrijft hij,

‘zullen we ons op de grond laten vallen en hem vereren als een zoetgevooisd en heilig en wonderlijk wezen, maar we moeten hem ook aan het verstand brengen dat in onze Stad lieden van zijn slag niet mogen bestaan, de wet zal hen niet gedogen. En daarom zullen we hem, nadat we hem gezalfd hebben met mirre en hem een krans van wol op het hoofd hebben gezet, wegsturen naar een andere stad. Want voor het heil van onze ziel zullen we slechts de ruigere en doortastender dichter of verhalenverteller aantrekken, die slechts de stijl van de verdienstelijken imiteert, en die slechts die modellen volgt die we voorgeschreven hebben toen we het al hadden over de opvoeding van onze soldaten.’

In het bericht dat me van het toekennen van deze prijs op de hoogte bracht, las ik dan ook met lichte bezorgdheid dat mijn persoontje dan wel het voorwerp zou zijn van een laudatio, onder meer omdat ik naar verluidt kritische vragen stel over hoe we samenleven, ook nog eens met bijtende humor, en lichtvoetige zelfrelativering. Ik las echter ook dat na deze plechtigheid een optocht gepland staat, met majorettes nog wel, en heel even dacht ik: ‘Het is zover – om tien uur feest, om twaalf uur begeleidt men de dichter, met zijn oren vol wol naar de buitenberm van de R4.’

We zullen zien. 
Lijdzaam wachten we op wat komen gaat.

Er is echter iets wat we altijd vergeten wanneer we deze beroemde passage uit Plato citeren: wanneer hij het over ons dichters heeft, zo geslepen in onze imitaties, is hijzelf aan het imiteren: hij voert de wijze Socrates op, wiens woorden hij repliceert onder de vorm van een aantal conversaties. De denkbeelden van de vader van de wijsbegeerte zijn dus, ironisch genoeg, tot ons gekomen met gebruik van alle knepen en trucs die dichters en schrijvers zo graag hanteren.

Ik denk dat Plato zich van die ironie bewust was, dat hij een groter ironicus was dan men het hem aangeeft. Soms denk ik zelfs dat onze blindheid voor zijn literaire spel een schitterend misverstand heeft veroorzaakt dat nu al meerdere millennia voortduurt: het misverstand van de filosofie – waarvoor ik overigens de geschiedenis intens dankbaar ben.

Er is nog iets wat we vaak uit het oog verliezen wanneer we Plato’s dubbelzinnige aanklacht tegen de dichters aangrijpen om op het eeuwige spanningsveld tussen polis en dichter, tussen politiek en de Muze te wijzen: in de Ideale Staat is inderdaad geen plaats voor dichters, maar alles welbeschouwd kunnen er al evenmin politici bestaan. De stad is een organisch geheel. Discussie, debat, de strijd van groepen om medezeggenschap in en over de samenleving zijn er overbodig.

Zie ons daar dus staan, de poweten en de polletiekers, aan de grens van de staat, tussen het zwaar vrachtvervoer, op de pechstrook, haastig gezalfd met wat goedkope aftershave en een wollen kroon om de slapen. ‘Bien étonné de nous trouver ensemble….’ Allebei zijn we tot bannelingen gemaakt omdat we bewoners zijn van de metaforische ruimte die voor mij het hart uitmaakt van zowel de democratie als de poëzie.

We zijn wezens die nooit niet, nimmer, samenvallen met onszelf – hoezeer we daar ook naar kunnen smachten. Hoezeer we ernaar dorsten de paradox die we zijn te vervangen door de sluitende tautologie. Ieder dictatoriaal regime vertoont in zijn kwistig gebruik van uitroeptekens een diepe afkeer, om niet te zeggen angst, voor het vraagteken dat we in onszelf belichamen. Iedere democratie maakt daarentegen ruimte voor de onmogelijkheid onszelf te bereiken, door de macht zelf op afstand te houden van onszelf, omdat niemand van ons de fatale versmelting van volk met staat zou kunnen bewerkstelligen en niemand het monopolie op zijn definities zou kunnen vestigen.

Hoezeer we het ook zouden willen, we kunnen nimmer in een ‘identische’ verhouding met onszelf verkeren. Iedere identiteit is betrekkelijk, een altijd rafelige jas, een immer lekkend dak. Het is altijd lapwerk om onszelf min of meer droog en warm te houden, maar ik houd van lapwerk. We zijn Belgen, for better and for worse. Behalve de saxofoon en Kuifje hebben we de wereld de schoonheid van de koterij geschonken, die lange reeks beschonken nabeschouwingen van onze huizen die zich als een dromerij verder zet in onze achtertuinen. Waarom zouden we met onze identiteiten niet hetzelfde kunnen doen, ze opvatten als een reeks blijvend provisorische achterkoten en werkplaatsen, want een mens moet toch ergens de was en de plas doen, en frieten bakken doet geen weldenkende België in zijn keuken, maar in de garage, anders riekt het hele huis naar friet.

Het is trouwens niet slecht iemand of iets te zijn, met een zekere vastigheid, zolang we maar beseffen dat onze jassen vol gaten zitten en dat ze uit een veelheid van lappen stof bestaan.

Soms, bijvoorbeeld, denk ik zelfs écht dat ik een dichter ben – een wezen dat heel goed kan verbergen hoezeer het door de wereld en de medemens met verstomming wordt geslagen, met zijn bek vol tanden staat.

Maar het is goed daarbij iets essentieels te bekennen.

Ik ken mijn talent niet.
Mijn talent kent mij.

Als ik het opentrek, dat talent, tref ik in mijn hersenkwabben geen Parnassus aan, maar een bordeel. Meer dan twee millennia cultuurgeschiedenis ligt daar te rotzooien op bloedrode pluchen sofa’s, achter dikke velouren gordijnen. Mijn ik is gevormd door de geschriften, denkbeelden, kunstwerken van een zooitje ongeregeld zonder weerga. Ik tref zelfs Augustinus aan onder die lichtekooien, notoir scheve schaatsenrijder in zijn jonge jaren, wiens bekentenissen voor de jeugd van tegenwoordig nog steeds een bruikbare handleiding van zoete schandelijkheden biedt dat ik elke jongere warm wens aan te bevelen. Wat een zuiverheidsmanie woedt er heden ten dage door onze steden, wat een leugen waar we het nageslacht mee opzadelen. Kijk eens naar mijn bordeel. Hadewijch, de van liefdeswoede brandende, de gulzige Thomas van Aquino, Nietzsche in vurige omhelzing met een paard, Bach, Beethoven, Bruckner, Darwin, Machiavelli, Shakespeare, Ibsen, Kierkegaard, Mohammed, Jahweh, Christus, Will Ferdy, of all people, ze zijn er allemaal vol overgave aan het donderjagen…

Uit wat een orgie bestaat, nader beschouwd, het ogenschijnlijk satijnen weefsel van onze ziel. Of zoals Wislawa Szymborska het uitdrukt in haar gedicht ‘Standpunt in de discussie over pornografie’:

 ‘Geen enkele losbandigheid is erger dan het denken. 
Dat wangedrag woekert als windbloeiend onkruid
in een bed bestemd voor madeliefjes.
…
Afschuwelijk in wat voor posities,
in wat een tomeloze eenvoud
de ene geest de andere bevrucht!
Zulke posities zijn zelfs Kamasutra onbekend.’

In een van zijn brieven schreef Flaubert ooit dat hij bij een zwerver die onder de bruggen slaapt meer interesse en deernis kon koesteren voor de vlooien in diens lompenjas dan in die zwerver zelf. Ik begrijp, denk ik, wat de grote meester daarmee bedoelde. De specifieke losbandigheid van het denken dat we de literaire verbeelding noemen moet, wil ze werkelijk van tel blijven in de mensenstad, de ruimte genieten onverantwoorde daden te stellen en elke functie die haar wordt opgedrongen af te wijzen, ten voordele van haar eigen ongegrondheid.

Als wij dichters en schrijvers de samenleving één dienst kunnen bewijzen, dan wel door de afstand tussen onszelf en onszelf te bewaken, te verhinderen dat we bezwijken voor de lokroep van de verabsolutering, die zeker in verwarde tijden als deze soms luid en verleidelijk kan klinken. De literatuur gaat niet over synoniemen, ze gaat haast altijd over de ondraaglijke verhouding tussen het individu en het collectief, het ik en de gemeenschap, elk met hun tegenstellingen en gespletenheden, hoe het één nooit restloos tot het ander te herleiden valt, wat er gebeurt als we de naden willen dichtlassen en van onszelf sluitende gehelen willen maken. Als het goed gaat, laat ze ons de ontzaglijke complexiteiten van ons bestaan en ons eigen zijn horen en voelen  – onze tragiek, onze machtloosheid, onze grootsheid en onze tuttigheid, onze eeuwigheidswaarde en onze eindigheid. Het is al veel als we erin slagen muziek te maken met onze ketenen. Kleine muziek, misschien – misschien ook niet.

In 1961 dichtte de Turk Nazim Hikmet, die toen in Leipzig, verbleef het volgende: 

‘Over vallende bladeren heb ik in vijftigduizend gedichten romans enzovoorts gelezen
bladeren heb ik zien vallen in vijftigduizend films
     vallen en zwerven en rotten
hun dode geritsel vijftigduizend keren onder
     mijn zolen gevoeld in mijn handen op mijn vingertoppen
maar nog altijd ontroeren mij vallende bladeren
     vooral als ze vallen langs boulevards
     vooral kastanjebladeren
     en als er kinderen in de buurt zijn
     en de zon schijnt
     en ik heb goed nieuws voor vriendschap
vooral wanneer mijn hart geen pijn lijdt
en ik geloof dat mijn geliefde van me houdt
vooral als het een dag is dat ik me goed voel over de mens
     kunnen vallende bladeren me ontroeren
vooral als ze vallen langs boulevards
vooral kastanjebladeren.’

Hikmet heeft in Turkije verschillende jaren in de cel gezeten, werd zijn burgerschap ontnomen en ten slotte in ballingschap gestuurd, zonder zalving met mirre of een krans van wol op de kruin.Hij is maar een van de vele voorbeelden van wat er gebeurd wanneer we Plato’s satire te ernstig nemen. Hij was communist in een tijd dat de grootmeesters van de geopolitieke verhoudingen zijn vaderland ei zo na vermaalden in de kille strijd tussen Oost en West. Vorig jaar heeft de Turkse natie hem zijn burgerrechten teruggegeven, intussen was hij wel al drieënveertig jaar dood.

Je moet misschien jaren in eenzame afzondering opgesloten gezeten hebben om de betekenis van vallende herfstbladeren te vatten, al wens ik het niemand toe. Maar het is niet slecht als er dichters bestaan die ons ook gewoonweg wijzen op de glorieuze pracht van onze dagdagelijkse banale, maar  o zo kostbare vrede.

Naast Hikmet en talloze anderen zijn mijn kunstbroers en ikzelf hier in dit land verwende nesten. Ons wordt door de stad en de staat geen strobreed in de weggelegd. Maar we kunnen niets voor gegeven nemen. We leven in een periode van een grote bloedarmoede van de burgerlijke en politieke verbeelding. De tijd van de tautologie lijkt weer eens aangebroken. Verstikkend zijn de uitroeptekens die alleen al in dit land heen en weer vliegen. Zorgwekkend onze zorgvuldig geregisseerde angsten. Luidruchtig de tactische dovemansgesprekken. Wat wordt er geëmmerd in deze wereld en wat een gesis valt er te horen in de mensenstad. Waar vallen de nog zachte, maar daarom niet minder scherpe observaties te beluisteren zoals die van mijn geliefde Montaigne:

‘Er dwaalt een verschrikkelijke ziekte onder de mensen. Ze denken dat ze iets weten.’

Tot zover het cultuurpessimistische hoofdstukje. Aan het einde van zijn leven gaf Mark Twain in een van zijn dagboeknotities een typering van het mensdom:

‘Ieder mens is zijn eigen persoon het gehele mensdom, in al zijn details. Ik ben het hele mensdom in al zijn details. Al die jaren heb ik in mijn eigen persoon de menselijk soort nauwlettend en met diepe aandacht  bestudeerd. Ik tref in mezelf in grote of mindere mate elke kwaliteit en ieder gebrek aan dat je in de gehele massa van ons ras kunt aanwijzen… Het mensdom is een ras van lafaards, en ik loop niet alleen in die processie mee, ik draag zelfs de vlag!’ 

Ik geef toe dat ik na deze woorden stilaan aan de borrel toe ben. Niettemin meen ik dat elke schrijver en dichter die betiteling waardig Twains observatie in het hart dient te dragen. Ons is geen enkele vorm van superioriteit toegekend. Laten we met overgave vaandeldragers van de onvolmaaktheid blijven. Om Gerard Reve zaliger te citeren: Klein gebrek geen bezwaar.

Het is stilaan tijd om af te sluiten. Dames en Heren, behalve mijn onderhuidse, hopelijk irrationele angst dat dichters alleen maar gelauwerd worden om ze vervolgens een uitwijzingsbevel in de handen te duwen, leeft in mij een nog groter bezorgdheid. Men moet toch zoveel spreken als men prijzen krijgt. Wij dienaren van het zwijgende woord, worden katheders opgejaagd om onze bek open te doen, terwijl in wezen alleen het gekras van de pen of het geratel van het klavier het geluid is dat ons spreken verraadt. Zo hoort het ook, ten gronde, uiteindelijk, wanneer alle feestgedruis vervaagt en een zalige stilte intreedt. Schrijvers moeten alleen hun bek opentrekken wanneer hun ergernis of zorgen zo groot zijn dat ze een maagzweer riskeren. Liever nu en dan acuut vloeken dan geregelde bezoeken aan de gastroloog. Ik geef toe, de ene maag is al gevoeliger dan de andere.

Ik aanvaard met trots en rustige vastheid deze geuzenprijs, maar ik sluit mijn dankrede graag af met een vers dat ik de wel zeer christelijke titel Confessiones meegaf.

Confessiones
Ik beken, in tijden van glasbraak en stormschade lees ik,
en ook al zou vrede in alle kieren heersen

dan nog zou ik lezen,

om de dood en zijn ontreddering, uit weemoed
en wegens onzalige liefdes, en ook van de dorst

naar god en zijn verheven onwaarschijnlijkheid.

Ik beken, al het geschrevene lees ik alsof de inkt
waarin het geschreven staat nog nat is,

en ook beken ik dat er geen heden bestaat
wanneer ik lees, noch een verleden,

want daar is maar één tijd in het lezen:
de eeuwig onontgonnen millennia

van wat mogelijk was.

Ik beken, ik hecht een naïef geloof aan de Parnassus,
die veeltalig krijsende meeuwenwolk

op de al te smalle richels
van een verticale rotswand,

en grif geef ik toe dat ik geen andere vooroudercultus
belijd dan de poëzie: het dode koraal,

de papieren trechter waarin ontvleesde stemmen slapen.

Ik beken, altijd vertrouw ik op mijn onvermogen
ooit te begrijpen wat ik lees, en dat ik, al lezende,

alle openbaringen herspreek, verspreek,

omdat ik slechts in nesten van misverstand wil huiveren.

Aan dit alles bezondig ik me, willens en wetens
en herhaaldelijk.

En ik beken dat ik mijn herkomst traceer
tot in de puinen van de ziggoerat, tot het stof

van de gevallen hangende tuinen.

Schaamteloos belijd ik mijn geloof
in het offer van de taal, dat klamme brood,

om onzentwille.

Want als zij niet open stonden,

de woorden, tochtig onvolkomen, enkel
vrijend met zichzelf, indien zij niet

vatbaar bleken voor infectie, virulentie, incantatie,
als zij niet wankelden van verval en verwachting,

hoe zouden wij ons zalven met geschiedenis?




– Erwin Mortier, 20 november 2010, ook te lezen op www.erwinmortier.be

› Laudatio voor Erwin Mortier

“Een schrijven dat elk vooropgesteld weten afwijst”

Laudatio voor Erwin Mortier door Anna de Bruyckere, zaterdag 20 november 2010




Bij de huldiging van een veelzijdig schrijver als Erwin Mortier is het wellicht vruchtbaar om aan te wijzen welke argumenten niet direct tot de redenen behoren voor zijn Geuzenpenning. Daar is bijvoorbeeld de literaire kwaliteit van zijn werk. Zijn romans zijn bij de allerbeste. Wie een chronische angst voor poëzie ontwikkelde, kan die wellicht bestrijden met zijn gedichten. En zijn essays vormen een welkome afwisseling op de in te grote haast geschreven stukken in de krant. Wij als Taalminnend Studenten Genootschap zouden de huldiging van deze laureaat enkel al vanuit die naam, afgezien van de flamingante implicaties die niet langer voor alle leden aanvaardbaar zijn, kunnen verklaren.

En wat met het feit dat hij vaak qua meningen prima in ons kraam past? Laat het duidelijk zijn dat we vandaag geen concrete gedachten of gedrag bekronen. Dit is geen lofzang gericht op Mortiers puur literaire prestaties, noch een penning van de gedachtepolitie; dit is de Geuzenprijs.

Volgens de annalen is deze prijs bedoeld om mensen te huldigen die in de afgelopen periode het meest geassocieerd werden met het begrip ‘Geus’, en is hij bedoeld als “een hommage aan signalen van het creatief vermogen van de vrije, kritische geest”. Laureaten hoeven geen onberispelijk boegbeeld te zijn, maar spreken zich uit tegenover alles wat een meerdimensionaal leefklimaat in Vlaanderen tegenwerkt of bedreigt. Wij vinden dat Erwin Mortier aan deze criteria voldoet.

Nog twee kanttekeningen. Mensen gaan met andermans verhalen aan de haal. Ik zal dat ook doen met het werk van Erwin Mortier, en me richten op het effect ervan op mijzelf. Toch plant ik ook graag de kiem voor latere gesprekken, met Mortier zelf alsook met andere lezers, over de vraag naar mogelijke verschillen tussen de intentie van de auteur en het effect van zijn of haar werk. Wellicht is dat iets voor op het banket.

Bovendien is het haast onvermijdelijk dat, wanneer iemand probeert te spreken voor dit eigenzinnig clubje vrijdenkers hier, dit enig geknor van oude knarren of jonge brompotten in wording zal opleveren. In dat geval zal ik me schikken in de rol van het varken dat, compleet met appel in de mond, geslacht en geroosterd zal worden vanmiddag op het banket. Ik kan u in het bijzonder de ham aanprijzen, alsook de linker poot om soep van te trekken.

Dan de argumenten waarom Mortier de Geuzenprijs moet krijgen. Ten eerste is zijn werk doorspekt met een gezond wantrouwen tegen machtsinstituten en hun voorschriften. Hij schrijft over én vanuit zijn “spotlust jegens principes, doctrines en paradigma’s”. Hij daagt de lezer uit om verder te kijken, voorbij zulke ready-made grenspalen van het denken.

In zijn essaybundel ‘Pleidooi voor de zonde’ – waarvan de titel alleen al elke tegendraadse vrijdenker doet watertanden – haalt hij zwaar uit naar instituties als de politiek, de journalistiek en het onderwijs. Hij geeft telkens weerwoord aan wat het brede menselijke denken wil verdringen of beperken. Het menselijke denken, en het schrijven dat als een geschikt, hoewel soms opstandig, medium daarvoor dient, is het meest vruchtbaar als het naast de terechte aspiratie tot het algemene ook plaats heeft voor het particuliere en individuele. Zo bekritiseerde hij het marktdenken in de zorg dat een visie op de mens als rader in een machine laat prevaleren boven de visie van een mens als mens, een mens die meer is dan zijn economische functie; en nam hij bij het aantreden van de huidige minister van cultuur zowel haar als de goegemeente op de korrel. Er zou haar en die goegemeente niet veel gelaten zijn aan een cultuurbeleid met visie, voortkomend uit ervaring met en passie voor de kunsten.

In ieders geheugen gegrift blijft bovendien de korte maar rake veeg uit de pan die hij de voorganger van huidig provocateur Léonard gaf. Kardinaal Danneels kwam niet weg met zijn steken onder de gordel rond het zelfgekozen moment van overlijden van Hugo Claus. In Mortiers woorden:

de eigen morele superioriteit celebreren boven het lichaam van een geliefde dode is geen heldendaad.

Ondanks de nog steeds aanzwellende kritiek op het instituut kerk zijn er weinigen die het zo scherp kunnen brengen als Mortier. En dit was niet de eerste, noch de laatste kritische nagel aan de kerkelijke doodskist van zijn hand.

Zijn kritiek mag dan ongezouten in zijn reikwijdte zijn, ze is gezoet in woordkeus. Vat zoet hier echter niet op als het suikerlaagje dat de bittere pil verhult. Integendeel, zijn woordgebruik is vaak erg zintuiglijk en getuigt van grote opmerkzaamheid, en drukt ons enkel nog harder met de neus op de feiten. Zijn stijl wordt wel als afwisselend sarcastisch, ironisch, schamper, stekelig, scherp, baldadig en mild omschreven. Hij toont hoe Grote Ideeën ook met hun voeten in de modder van de praktijk staan. Vanuit die modderige praktijk komen de vragen die de context overstijgen, vragen naar leven, liefde en dood.

In de dit jaar verschenen bundel ‘Wat voorbij is, begint pas – lichtzinnige meditaties over het schrijven’ noemt hij poëzie een resonantieruimte. Ik zou bij uitbreiding al zijn werk als zodanig willen omschrijven. Zijn omgang met taal heeft een sensibiliserend effect in de zuiverste zin van dat woord: het doet ons de oren spitsen, de ogen tot streepjes knijpen, de neusgaten openzetten, de lippen natmaken, de vingertoppen uitstrekken naar wat er gebeurt met ons, om ons heen. Het maakt bewust. In Mortiers woorden: verzen leren ons van horende wezens luisteraars te worden. Al het menselijke is op “luisterbereidheid” gebouwd, en Mortier kan aanzetten tot luisteren als de beste.

In een eerste reactie op de toekenning van de Geuzenprijs, die hij een vrijzinnige palmtak noemde, sprak Mortier de hoop uit dat een fanfare van het Belgische leger de laureaten zou verwelkomen, voor vorst en vaderland, voor altaar en troon. Naast de illusionist en majorettes die we ervoor in de plaats geven, blaakt deze reactie van een gezond relativeringsvermogen en humor. Is het tevens een sneer naar de georganiseerde vrijzinnigheid, waar ook wij soms appels mee te schillen hebben? De engelstalige wereld heeft er een mooi spreekwoord voor: never bite the hand that feeds you. Misschien is het wel hét geuzenkenmerk bij uitstek om een recht van kritisch spreken, ernstig of niet, te blijven opeisen, ook – en juist – in de gelederen waar je je gewaardeerd weet.

Ironisch genoeg noemt Mortier zichzelf een culturele katholiek. Zijn typering daagt me uit. Natuurlijk, we dragen allemaal die echo’s in ons. Wij als ‘t Zallers kunnen enkel blij zijn dat iemand de titel van cultureel katholicisme opeist voor werk dat in wezen zo vrij van denken is. Soms denk ik dat de benaming een karikatuur is. Op andere momenten zie ik vooral, in ál zijn genres, de weldaad van de zo, paradoxaal genoeg, tastbare hang naar het transcendente. Dat hij dit combineert met felle kritiek op het instituut waarin een wereldlijke macht deze inherent menselijke neiging confisqueert, vind ik hartverwarmend.

Want nu we het woord ‘opeisen’ toch al gebruikt hebben: binnen ’t Zal Wel Gaan praten we soms over belevingsatheïsme, waarin we het goede leven, dat ook spiritualiteit omvat, niet laten wegkapen door de kerk, maar dit terug opeisen, en een dor, puur ontkennend atheïsme vermijden. Zo maakt zowel Mortier als onze jonge generatie eigen levensbeschouwelijke keuzes, hoe je ze ook wilt benoemen, met als gemene deler niet ingekapseld te willen worden in de natte droom van institutionele vaders—want moeders zijn er daar niet. Levensbeschouwing, zo herinnert Mortier ons nog eens, mag niet weggemoffeld worden onder een tapijt van antiklerikalisme of eender welke strijdvaardigheid onder de naam van vrijdenken.

Wat is nu de betekenis van het toekennen van de Geuzenprijs 2010 aan Erwin Mortier? Uit het voorgaande blijkt dat het geen keurmerk is voor de juistheid of schoonheid van zijn werk. Het is evenmin een vinkje in een alternatief doopregister van goede vrijzinnigen, noch een douanesticker die zijn gedachten onbeperkte toegang geeft tot het laadruim van onze geest.

Wel willen we Mortier feliciteren met zijn werk en tonen dat het het denken van anderen doet bewegen, of minstens een soms serieuze, soms humoristische brandoefening inhoudt.

Daarnaast hopen we de geuzenmentaliteit een hernieuwde impuls te geven. De laureaten worden níét gelauwerd omdat ze onberispelijke boegbeelden, noch voorbeelden zijn. Wel kunnen ze, en kan Erwin Mortier, een voorbeeld zijn als we dat niet opvatten als een oproep tot navolging, maar als het besef dat geuzen ook vandaag van waarde zijn, niet tot beduimelde geschiedenisboeken behoren. De Geuzenprijs is dus geen kroon, want zo’n ding zit al snel in de weg. Eerder is het het tegelijk meest waardeloze én waardevolle dat er bestaat: een woord van dank, en een aansporing gericht tot hem, onszelf en anderen om vrij te blijven denken.

Graag geef ik het woord aan laureaat van de Geuzenprijs 2010, Erwin Mortier.



– Anna de Bruyckere
– Noot: de titel is een citaat van de schrijver, afkomstig uit ‘Wat voorbij is, begint pas’

› Over 125 jaar Bond der Oud-Leden

Bij de uitreiking van de Geuzenprijs 2010

zaterdag 20 november 2010

Aula Universiteit Gent

door Herman Balthazar




125 jaar geleden, op 6 juli 1885, werd in het Beiers Bierhuis de Bond der oud-leden (B.O.L.) van het Taalminnend Studentengenootschap ‘t Zal Wel Gaan gesticht. Behalve het primaire objectief: een sterk steunpunt vormen voor het jonge ‘t Zal, was er een tweede en meerduidige context. De antiklerikale, de sociale en de Vlaamse strijd stonden in 1884-1886 immers op een keerpunt.

Eerst het antiklerikale, oorspronkelijk de belangrijkste en ook de meest persistente drijfveer.

De prestigieuze en militante schoolpolitiek van de liberale regering Frère-Orban – Van Humbeeck was in de verkiezingen van 10 juni 1884 uitgelopen op een regelrechte ramp voor de liberalen. In Vlaanderen was Gent het enige liberale bastion dat stand hield. Vijf jaar lang hadden de bisschoppen met alle middelen de klerikale weerstand aangevoerd. De campagne wierp zijn vruchten af, mede dank zij stijgende onenigheid in het liberale kamp tussen de doctrinairen en de radicalen. Gedurende 30 jaar, tot bij het uitbreken van Wereldoorlog I, namen de katholieken het regeringsroer in handen. Nooit was de tegenstelling klerikaal – antiklerikaal heviger dan toen.

Dan het tweede versnellingsmoment: de sociale kwestie.

In ‘De Zwaan’ op de Grote Markt te Brussel werd op 5 en 6 april 1885 de Belgische Werkliedenpartij gesticht. De arbeidersklasse verwierf hiermee het wapen van een eigen eenheidspartij op een bijzonder explosief moment van onze sociale geschiedenis. De rellen en stakingen in het voorjaar 1886, vooral in de Waalse industriële regio’s, hadden voor de burgerij een zo bedreigend karakter dat het debat over sociale en politieke rechten voor de arbeidersklasse een onontwijkbaar nieuw karakter kreeg.

Tenslotte het Vlaamse vraagstuk.

Tijdens de liberale regeringsperiode van 1879-1884 werd de derde grote taalwet goedgekeurd, deze over het taalregime in het middelbaar onderwijs. Het was een eerste en door de Franstaligen zeer betwiste stap naar tweetaligheid in het middelbaar onderwijs. Het onderwijs als belangrijkste medium voor de verfransing kreeg hierdoor een aangetaste positie. Nogal wat leden van de nieuwe B.O.L. waren betrokken bij de stichting van militante Vlaamse leerlingenbonden in de athenea en rijksmiddelbare scholen. Hier in Gent op het atheneum in december 1885, waren de Heremans’ zonen de eerste in de rij. (Heremans was in 1852 de leraar die de aanzet gaf tot het stichten van ‘t Zal Wel Gaan.) De geesten werden nu ook rijp voor de volgende, finale stap: de vernederlandsing van de Gentse universiteit.

Alles kwam dus in beweging rond deze jaren. Typerend bijvoorbeeld was het ‘incident flamingo-wallon’ in december 1882. Bij de commissiewerkzaamheden voor de organisatie van een internationaal studentenfeest had de afvaardiging van ‘t Zal Wel Gaan gevraagd alle stukken in beide landstalen op te stellen. De Cercle Wallon had daarop de eis gesteld ook het Waals te gebruiken: twee dialecten naast de ene cultuurtaal. Het incident werd een scheldpartij die weerklank vond in het grootste deel van de Belgische pers. Het vernederlandsingsvraagstuk werd dus inderdaad een politiek en cultureel item van eerste orde, dat velen aangreep en als het ware ‘bekeerde’. Geen mooier voorbeeld dan dit van de jonge hoogleraar en ‘t Zaller Julius Mac Leod. Vanaf 1883 begon deze aan een verbluffende activiteit die de basis kan genoemd worden van wetenschapsbeoefening in het Nederlands. Zijn positivistische en rationalistische overtuiging over de kracht en de maatschappelijke bevrijdingswaarde van de wetenschap werd nu gekoppeld aan de idee van onderwijs in de volkstaal. Hoe ver dit idee in cultuurhistorische en in politieke termen rijp was geworden kon men in 1884 horen wanneer zijn neef en ‘t Zaller Paul Fredericq een pleidooi hield voor de vernederlandsing in zijn inaugurale les als opvolger van Heremans in de leerstoel Nederlandse Taal- en Letterkunde. Men kon het ook afleiden uit initiatieven zoals University Extension, een Hoger Onderwijs voor het Volk, waar vanaf 1892 alle promotoren uit deze Vlaams-liberale en intellectuele kringen voordrachten gaven, ‘t Zallers en oud ‘t Zallers voorop.

De B.O.L. vond dus zijn reden van bestaan in een zeer turbulente tijd. Voor de promotoren ervan was de strategische lijn duidelijk: B.O.L. en het jonge ‘t Zal moesten hun posities kiezen als een integraal en versterkend element van het liberale kamp. De leuze van ‘Klauwaart en Geus’, ja, maar die geus moest lid zijn van de liberale partij.

Blijvende trouw aan de oude orangistische idealen, ja, de geuzenvaan mocht oranje, wit en blauw kleuren, maar het echte gevecht moest binnen de realiteit van het Belgische vaderland gebeuren.

Twee decennia lang leek die dubbele equatie goed te lukken. Het jonge ‘t Zal bloeide en speelde zowel binnen de universiteit als in een aanzwellend Vlaams front een opgemerkte rol. Jaar na jaar werd de B.O.L. versterkt met nieuwe, zeer gemotiveerde leden. In 1900 betekende dat in cijfers: totaal aantal studenten: 802 (3 vrouwen!); jong ‘t Zal: 55 actieve leden; B.O.L.: 118 leden.

Het 50-jarig jubelfeest kon met grote luister gevierd worden, ook dank zij royale geldelijke steun van de B.O.L., die rijke en milde leden telde, zelfs in het verre Amerika zoals dat beroemde en trouwe lid Leo Baekeland, uitvinder van het bakeliet. Wie echter goed luisterde, hoorde in de feestklanken heel wat dissonanten.

In 1903 nam Maurits Basse het secretariaat over van Paul Fredericq. Basse was een trouw liberaal en zeer verknocht aan zijn ‘t Zal en de B.O.L., maar hij was niet opgewassen tegen de aanstormende conflicten. Ik zal er in mijn korte historiek de meeste aandacht aanbesteden omdat het over conflicten gaat die een zeer langdurende nawerking hadden. Vandaag lijken zij in de huidige gang van zaken binnen het jonge ‘t Zal en de B.O.L. voltooid verleden tijd, maar misschien is dit maar schijn want het zeer actuele debat over Vlaanderen en België vindt zijn oorsprong in de politieke doos van Pandora die Basse koppig en principieel wou gesloten houden.

Er was eerst die fel oplaaiende ‘strijd der stelsels’ of de vraag naar de beste strategie om de vernederlandsing van de Gentse universiteit te bereiken.

De twee meest in het oog springende protagonisten uit de ‘t Zallersrangen, Paul Fredericq en Julius Mac Leod, stonden lijnrecht tegen elkaar. Fredericq wou een compromis van de langzame weg, Mac Leod wou de snelle en radicale weg. Op 29 september 1905 schreef Mac Leod aan Basse dat hij ontslag nam uit de B.O.L.. In het jonge ‘t Zal was het al vanaf het voorjaar 1904 hommeles. Het leidde op 16 december 1904 tot de eerste scheuring: 14 leden stichtten de kring ‘Ter Waarheid’, 50 leden bleven trouw in de rangen van ‘t Zal, maar het felle debat was er niet gesloten.

Noch in de liberale partij, noch in de BWP vonden die radicale vrijzinnige flaminganten gehoor. Aan de andere zijde stond een groeiend bos van blauwvoetvendels, die Vlaanderen exclusief aan Christus wilden wijden. Wellicht ligt daar wel de voornaamste verklaring van de stap naar het activisme, die een felle minderheid maakte.

Laat mij het illustreren met de casus Adriaan Martens, omdat hij zo scherp aantoont dat het ganse interbellum door het conflict aan de orde bleef.

Adriaan Martens (1885-1968), geneesheer-specialist interne geneeskunde, werd in zijn studententijd driemaal voorzitter van ‘t Zal. In 1916 aanvaardde hij een docentschap in de door de Duitse bezetter opgerichte Vlaamse Hogeschool. In 1918 werd hij lid van de Tweede Raad van Vlaanderen, de activistische voorafspiegeling van een zelfstandige Vlaamse regering. Martens werd in 1919 bij verstek ter dood veroordeeld. Pas in 1935 keerde hij terug uit zijn Hollandse ballingschap. Hij opende in Astene een privé-kliniek, gebouwd door Henri Van de Velde. Hij had toen al wereldfaam, alhoewel de Gentse faculteit geneeskunde in 1931 het door hem ingediende proefschrift voor een aggregatie hoger onderwijs had geweigerd. Eind 1938 benoemde de drieledige regering P.H. Spaak Martens tot lid van de pas opgerichte Vlaamse Academie voor Geneeskunde. Op 2 februari 1939 vroeg de liberaal Mundeleers hierover de vertrouwensstemming. Met de ongevraagde steun van het VNV overleefde de regering de stemming met 88 tegen 86 stemmen bij 7 onthoudingen. Enkele dagen later stelden de liberale ministers hun ultimatum. Martens afzetten of regeringscrisis. Het werd regeringscrisis en vervroegde verkiezingen, waar enkel de katholieken en het VNV winst maakten. Het was vijf maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

De casus Martens was niet uitzonderlijk. Tamelijk veel van de meest actieve en wetenschappelijk meest getalenteerde ‘t Zallers kwamen in het activistisch avontuur terecht. Bijna allemaal namen zij de wijk naar Nederland en bouwden er schitterende carrières op, zoals Marcel Minnaert, wereldberoemd sterrenkundige aan de Utrechtse universiteit.

Het werd 12 mei 1920 vooraleer de naoorlogse werkzaamheden begonnen met de 30e algemene vergadering, eerst de serieuze zaken in café ‘Het Fonteintje’ op het St.Baafsplein. Daar waar ook de likeurstokerij gevestigd was die de flessen Plumet verkochten, zo lyrisch bezongen in het epos van de roeiwedstrjden… Daarna trok men naar het nog steeds somptueuze banket in de ‘Roches de Cancale’. Het was nochtans een mager begin: 28 oud-leden hadden zich ingeschreven; 14 studenten zaten mee aan op het banket.

Hoeveel er van de 152 leden in 1914 nog overbleven was moeilijk uit te maken. Secretaris Maurits Basse (1868-1944) had op eigen verantwoordelijkheid een gezuiverde lijst gemaakt. Allen, die in feite of in vermoeden, behoorden tot de activisten of tot de Frontpartij, had hij niet uitgenodigd, maar op de vergadering werden geen namen genoemd.

Zijn Belgisch vaderlandslievende voorzichtigheid ten spijt, schreven meerdere leden dat zij ontslag namen. Ik citeer uit één van die brieven, deze van Gustave Magnel (1889-1955), die in 1927 professor werd en wereldberoemd voor zijn aandeel in de ontwikkeling van gewapend beton en spanbeton:

“… Vroeger zag ik ook in de vervlaamsching van onze Hoogeschool de oplossing van de Vlaamsche Kwestie. Voor den oorlog was zulks wenschelijk en mogelijk en het scheen niet alsof die vervlaamsching de bestuurlijke scheiding moest aankondingen en dus ook het einde van het bestaan van ons land….”

In deze politieke atmosfeer was de oude slagkracht van de B.O.L. onvermijdelijk aangetast want ook met het jonge ‘t Zal bleven de verhoudingen gespannen en soms zelfs even verbroken. Ik zou dit verhaal graag verder vertellen want B.O.L. en ‘t Zal bleven en blijven, in merkwaardige ups en downs, een boeiende geschiedenis, die u van mij mag tegoed houden.

Plaats nu voor de eerbiedwaardige Geuzenprijzen, maar geef mij nog even de tijd om af te sluiten met een gans ander conflict tussen de B.O.L. en het jonge ‘t Zal, een conflict dat illustratief voor de altijd aanwezige spanning met de cynische buien van de feestelijke tradities in ‘t Zal.

Op de jaarvergadering van de B.O.L. in 1934 werd opnieuw sterk gepleit voor nauwere banden met het jonge ‘t Zal, alhoewel het voor sommige oud-leden totaal beheerst werd door communisten. Men was in elk geval blij dat de uitgave van de 53e studentenalmanak werd aangekondigd. Tot ontzetting van Maurits Basse, die een proefdruk kreeg, las hij er een stuk van Van het Vee waarin een scherpe persiflage op pater Callewaert te bespeuren viel. Het moest de aanzet zijn van een vervolgverhaal over ‘Don Calle y Calotas’ en de titel was:

“Bijdrage tot de opheldering van de aanleidende oorzaken van de opstandige beweging der pastoors in Mexico ofte de geheimnisvolle lijdensweg van Mevrouw Preuta Profunda.”

Basse was in alle staten. Aan de redactiesecretaris Vic Monteny schreef hij:

“Dat stuk bestaat uit een reeks grove vuiligheden, die met geestigheid niets te maken hebben en die van den graad van beschaving waarop het huidige ‘t Zal staat, geen hoogen dunk geven…”

Om toch aan hun centen te geraken hebben de jonge ‘t Zallers dan de pagina’s 168-175 eruit geknipt in de 169 exemplaren bestemd voor de leden van de B.O.L.

Wie de gezuiverde en de volledige versie op de kop kan tikken: het is een uniek collectors item.

Zoals zo veel uniek is in de geschiedenis van de B.O.L. en van ‘t Zal. Dat beiden leven, bravo, bravo, bravo.

– Herman Balthazar

© 2012 TSG 't Zal Wel Gaan